‘Toets nu uw burgerservicenummer in en sluit af met een hekje.’
Daar had ik niet helemaal op gerekend toen ik belde met de huisartsenpost. Ik ben niet heel erg maar wel enigszins voorbereid op calamiteiten. Ik weet ook dat ik via 112 bellen – man van 74, benauwd en pijn op de borst – binnen de kortste keren op een brancard voor het huiskamerraam op vier hoog aan een hoogwerker kom te hangen. Ik weet het van de buurman. Liggend vervoer heet dat. Ik weet wat ik heb en dat is niet mijn hart, waar dat soort voorzorg bij komt kijken, maar een overspannen afweerreactie zoals bij een heftige allergie. Dat wil ik kunnen uitleggen en dus zwerf ik nu door een telefonisch keuzemenu met vermanende bandjes – download de app moet ik naar de dokter – en dat BSN dat ik in moet toetsen. Het staat in dezelfde telefoon waar ik mee bel – ik ben best voorbereid – maar ik mis de digitale vingervlugheid om dat op mijn scherm te toveren tijdens een hinkstapsprong door toets dit voor dat en blijft u aan de lijn. Toch nog even een lichte paniek dus.
Verder blijf ik best rustig, vind ik zelf. Ik ben inderdaad benauwd en heb pijn op mijn borst, maar ik maak het vaker mee en het gaat ook weer over. Alleen dit keer niet. Niet na de gebruikelijke vijf tot tien minuten. Ook niet na een uur. En na ruim twee uur vul ik nog steeds het ene keukenschaaltje na het andere – bedankt voor het telkens omspoelen lieverd! – met taai slijm dat mijn lichaam in grote hoeveelheden in de strijd werpt. Dus de vraag: wat moet ik doen? Mijn geboortedatum blijkt goed genoeg als ik eenmaal iemand aan de lijn heb. Zenuwen voor niks dus, zoals zo vaak. De oplossing is ook vrij eenvoudig en had ik zelf kunnen bedenken: gebruik de adrenalinepen die voor zulke situaties – ik zei toch dat ik voorbereid was – bij de voordeur hangt. Er zit één maar aan vast: zodra ik in mijn been prik, rukt een ambulance uit om me op te halen en bij de spoedeisende hulp ter observatie af te leveren. Zo’n pen is snel uitgewerkt en dan kan de narigheid terugkomen. Vandaar.
En zo maak ik het dan toch eens mee. De relatieve knusheid van het behandelkamertje op wielen dat ambulance heet. De geheime gangen waardoor je een ziekenhuis ook binnen blijkt te kunnen komen. De briefing die via het spervuur van de ambulanceverpleger op het white board van de SEH belandt. De witte wieven – het zijn allemaal vrouwen – die vragen stellen, een infuusnaald prikken, elektrodes plakken, bloed afnemen en trui en broek opstropen op zoek naar huiduitslag. Tegelijktijdig en door elkaar heen met wapperende handen en vragende monden.
‘Mijn stem klink wat hees’, leg ik maar even uit, ‘dat heb ik als ik nerveus ben.’
De dokter kijkt me vragend aan. Wat is er hier nou om nerveus over te zijn, hoor ik haar denken.
Dat vind ik zelf even later ook. Het lukt zelfs om het boek dat ik aan het lezen ben met de ziekenhuis-wifi op mijn telefoon te zetten. Mijn lief is op mijn aandringen vast naar huis. De witte vrouwen zitten ergens verderop in hun kantoortje.
‘We houden u in de gaten’, zeiden ze voor ze vertrokken.
Op afstand dan dus, want ik zie ze niet en hoor ze al die uren alleen als ze aan de andere kant van de dichtgeschoven gordijnen langslopen. Op weg naar de beeldschermen die vertellen hoe het met mij gaat. Niet met mij, zo voelt het, maar met de lijntjes, piepjes en cijfers van mijn vitale functies. Goed, blijkt als na bijna vier uur de kabeltjes losgaan, een verpleger het manchet losscheurt dat elke tien minuten mijn arm afkneep en een dot verband de plek inneemt van het infuustappunt.
Het is inmiddels na middernacht. Niet als, maar wanneer ik verdwaal in de ziekenhuisgangen, is er niemand om te vragen waar de gewone wereld is. Ik kom er uiteindelijk toch. Hij is fris en leeg. Alsof het leven opnieuw begint.
‘Dat hebben we goed gedaan samen’, zeg ik tegen mijn lief als ik na een taxirit door een verlaten stad thuiskom.
Mooi en zeer herkenbaar geschreven, en ik hoop dat u inmiddels weer bent opgeknapt.
Gelukkig wel!