Nog voor ik goed en wel binnen ben voor onze opadag, komt kleindochter Maria (3) recht voor me staan. Om verslag te doen, blijkt.
‘Yara deed zó’, zegt ze tegen me en bij wijze van demonstratie duwt ze zichzelf met twee handjes tegen haar heup. Tamelijk hard, ze draait er zo’n beetje van om haar eigen as.
‘Dat is naar’, zeg ik. ‘Is Yara bij jou op de kinderopvang?’
Ze knikt, zonder de boze blik in haar ogen los te laten want er is meer.
‘Ze deed ook zó’, bouwt ze haar aanklacht verder uit terwijl ik mijn jas op de kapstok hang. Ze duwt zichzelf erbij tegen haar schoudertje, zo stevig dat ze er bijna van omvalt.
‘Hè meid toch’, zeg ik. ‘En toen? Heb je toen ho stop tegen Yara gezegd?’
Maria kijkt triest naar de grond.
‘Nee’, zegt ze. ‘Zo doet Yara altijd… Zo en zo en zo.’ Ze duwt erbij tegen zichzelf, als een lappenpop zonder opties.
Hopeloos dus, begrijp ik.
‘Ben je toen maar met iemand anders gaan spelen?’
‘Nee’, zegt ze ook nu weer. ‘Ik speel altijd met Yara…’
We zijn er allebei even stil van.
‘Je kan het ook tegen je juf zeggen?’, probeer ik.
‘Mijn juf was er niet’, neemt ze me verder mee op haar pad van droefenis.
‘Was er dan geen andere juf?’, vraag ik.
‘Ja, maar die weet ik niet.’
‘Aha’, snap ik. ‘Hoe ging het dan verder?’
‘Toen kwam mama!’, roept ze, met een lach nu.
‘Gelukkig’, zeg ik. ‘En wat deed je toen?’
‘Rennen!’, zegt ze.
‘Naar mama?’
‘Ja!’