Nakaarten

Goed. Eindelijk zitten we dan in de tram, op weg naar oma. Vertrekken lukte niet erg. Kleindochter Maria (3) wilde eigenlijk van alles niet. Geen boterham, geen schoenen aan, geen trui aan, geen jas aan, geen das om. En ook van alles wel. Zoals het rugzakje dat we altijd meenemen leegstorten. De schone luier en de medicijnen die ik voor haar bij me moet hebben eruit en in plaats daarvan volladen met haar eigen babycrèche: haar liefste knuffelbeer genaamd Beertje, een blauw griezeltje genaamd Stitch (nee Stítch, opa), een meer dan levensgrote en even zo zware oefenbaby genaamd Baby, Snoopy, een roze varkentje in cilindervorm, en nog iets naamloos van fluorescerend pluche met grote glazen staarogen. Ik kon het afmaken op luier en medicijnen in mijn eigen jaszak, een selectie uit haar crèchevolkje in de rugzak en toch echt die trui aan die mama had klaargelegd. Dacht ik. Maar het moest en zou een andere zijn. Ik hoopte nog even creatief te wezen en draaide de trui binnenstebuiten voor een jéééh andere trui! Maar dat had als enig resultaat een modelsessie waar Munch graag voor langs zou zijn gekomen. Opengesperde verdrietogen, een mond die smeekte om iemand die haar begreep en vooral heel veel huilen. We konden ook niet gaan, zei ik, maar die suggestie bracht alleen maar een hogere versnelling in ons drama. Ik zei haar dat ik het dan ook niet meer wist en maar even in een boekje ging lezen zodat we er allebei over konden nadenken.

Maar goed. We zitten nu in de tram, een half uur later dan de bedoeling, laarzen in plaats van schoenen, geen das om, een rugzak vol zorgbaby’s en ja: toch maar een andere trui (die met glitters!) aan. En ik voel me rot over hoe het liep. Tijd op de lange baan schuiven en geen conflicten aangaan waar ze niet zijn. Ik weet het wel maar deed het niet.
‘Zijn we weer vrienden?’, vraag ik aan haar terwijl we samen naar buiten kijken of we er al bijna zijn.

Ze kijkt me vol verwondering aan. En heeft zelf kennelijk behoefte aan een heel andere vorm van nakaarten, blijkt als we aan het eind van de middag weer terug in haar huis zijn. Daar pakt ze de trui waar alle heisa over ging en steekt die in de lucht.
‘Deze heeft oma voor je klaargelegd, die moet je aan’, zegt ze tegen mij. Met meteen daar achteraan: ‘Je moet zeggen: ik wil niet.’
‘Ik wil niet’, zeg ik.
‘Harder’, zegt ze. ‘Doe dan.’
‘Ik wíl niet!’
Beter, zo te zien. Ondertussen heeft ze de mouwen van de trui, zoals ik eerder deed, binnenstebuiten getrokken. Het resultaat houdt ze me voor.
‘Deze is een andere. Wil je die?’
‘Ik wil niet’, begrijp ik mijn rol nu zonder instructies.
‘Oma heeft gezegd deze vandaag. Ik ga je déze geven!’
‘Ik wil niet!’
We pingpongen net als eerder die dag maar dan andersom nog wat verder. Waarop ze besluit dat het zo wel genoeg is.
‘Kijk wat ik ga doen’, zegt ze. ‘Ik ga een boekje lezen.’
En dat doet ze. Met een tevreden lachje.

Loading spinner
2 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Karin

Helder! 🙂

Jos
Antwoord aan  Karin

Het is soms even slikken 🙂