Waarom

Voor kleindochter Maria (bíjna 3) lijken de uitdagingen om het leven in de vingers te krijgen als in een rivierdelta te zijn samengevloeid tot één centrale en ook tamelijk dringende vraag. Waarom? Niet gesteld op het praktische niveau van waarom zus en niet zo, maar als existentiële zoektocht naar zin en betekenis. Met zowat alles wat ze tegenkomt als aanleiding.

Dus wil ze, na een korte maar heftige periode van winters weer terug in haar vertrouwde speeltuintje met de trampolines, dringend van me weten waarom al die sneeuw van nog maar een dag of wat geleden opeens weg is.
‘Die is gesmolten’, zeg ik en wijs op een laatste restje vuilwitte kristallen die op het kunstgras rond de glijbaan hun best doen de inmiddels acht graden boven nul en zachte zuidwester te weerstaan.
Waaróm?’, vraagt ze nog voor ik mijn korte toelichting af heb kunnen maken.
‘Eh…’, zeg ik, ‘omdat het warm is geworden. Als het erg koud is, verandert water in ijs of sneeuw. Maar bij warmer weer, worden sneeuw en ijs weer water.’

Ze kijkt me aan. Vol goede wil, lijkt het, maar ook wat verbaasd over zo ver misschieten met je antwoord op een simpele vraag.
‘Waarom?’, vraagt ze dus nog maar een keer.
Ik probeer iets dicht bij huis en doe een bibberend meisje na dat in een sneeuwbui staat en dan vrolijk rondspringt als de zon weer warm schijnt.
‘Water wordt ook heel stil in de kou en gaat weer bewegen in de warmte’, zeg ik en beloof haar dat we thuis een stukje ijs in een bakje gaan doen om te zien wat ermee in het warme huis gebeurt.

Ze knikt. En gaat meteen door naar wat zich ook maar verder aandient voor de grote vraag. Waarom ik rondzwervende rotzooi van afgestoken vuurwerk opruim. Waarom ik daarvoor eerst mijn voeten gebruik om het te verzamelen en dan pas mijn handen. Waarom ik het daarna in het afvalbakje vol hondendrollen in dichtgeknoopte boterhamzakjes deponeer. Waarom ik daar – ze doet het feilloos na – zo vies bij kijk.
Maar vooral, terwijl ze naar de glijbaan wijst: ‘Waarom gaan we vandaag daar niet op?’
‘Omdat die kletsnat is?’, zeg ik en laat haar de waterplasjes zien op het glimmende chroom. ‘Voel maar.’
Ik pets even met mijn hand in het koude water.
‘Waarom is het erg als je hand nat wordt?’, wil ze weten, zonder op mijn uitnodiging in te gaan.
‘Nou, je hand gaat wel. Maar als je glijdt, wordt je broek kletsnat. En koud.’
Ze kijkt me nog even aan. Weinig opgeschoten in haar zoektocht zo te zien. Maar daalt dan toch vrij onverwachts af van het levensbeschouwelijke naar het behapbare leven van alledag.
‘Opa…’, zegt ze met boven haar ogen een frons van twijfel over mij, ‘…wáárom heb je dan geen handdoek meegenomen?

Loading spinner
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties