Woorden

Elke week leert kleindochter Maria (1) er weer wat woorden bij. Huppekee, is het nu meteen al als ik binnenkom voor de wekelijkse opa- en omadag. Tas in de gang, huppekee. Slippers er uit en aan mijn voeten. Huppekee.

Even later begeleidt dezelfde kreet, vol overtuiging gebracht, het klaarmaken voor de tocht naar ons vaste koffie-adres. Huppekee de buggy naar buiten. Huppekee klein meisje er in.

En dan blijkt dat ze van de week, soms lang voorbij slapentijd brabbelend in haar bedje, er nóg een woordje bij heeft geleerd: mooi. Ze zegt het zoals ze het kennelijk voelt: mooooiii…

Het gras meteen al tegenover haar eigen voordeur. Het rijtje lindebomen langs haar straat. De klaprozen in het kleine parkje met het klimrek. De hortensia’s in een tegelgewipt straattuintje. Een oude auto ooit top of the bill aan de vormgeving te zien maar nu met verbleekte rode lak en uitgezakte banden langs de stoeprand. Een glanzend donkergroene van meer eigentijdse makelij en allure. Twee rondhippende kauwtjes. De stratenmaker die met hoge wolken stof zand tussen de versgelegde straatstenen veegt. Zijn collega die met een knalgele kruiwagen nieuwe voorraden aanrijdt.

Vanuit haar koepeltje wijst ze, een beetje naar voren geleund om maar niets te missen, met een klein vingertje aan wat er allemaal te zien is onderweg. Eerst stil en dan… mooooiii….

Alles eigenlijk voor haar.