Geluiden

Kleindochter Maria (1) oefent op geluiden en dat neemt ze serieus. Vingertje bij haar oor – luister! – als ze ergens iets hoort. Twee handjes omhoog als ze graag uitleg wil over wat het kan zijn. Gevolgd door een meestal geslaagde poging om de kreet, de schreeuw of het gebrom dat haar wereldje bereikt zo goed mogelijk na te doen. En dan niet van hondje doet wafwaf, maar de rauwe werkelijkheid van een buurhondje dat zijn keel kapot lijkt te schrapen in een te strak getrokken halsband. Ieghieghiegh. De gillende babykreet van een overvliegende meeuw. Weèèèh. Een brommer die niet wil starten. Grrrgrrr. Een kauwtje dat met luid kaaakaaa in het grasperkje staat te hakken waar ze op haar buggyroute langskomt. Hij springt even op, van herkenning lijkt het wel, als ze de vogelschreeuw vanuit het luifeltje van haar Bugaboo natuurgetrouw laat horen. Kaaakaaa. Kaaakaaa doet de vogel terug. Allebei met hun koppie op en neer. Ze lacht, precies!

Van haar papa hoor ik dat ze ook ’s avonds in bed nog verder oefent op geluiden en woorden. Terwijl ze al lang zou moeten slapen, klinkt uit de babyfoon dan opeens gebrabbel. Woordjes die ze kent. Ja, nee, auto, doei, koffie. Soms, zegt hij, gevolgd door haar nieuwste aanwinst. Een glashelder ‘Kijk!’. En nog een keer ‘Kijk!’. Even stil en dan, zachtjes: ‘Oh wooow…’

Ik vertel over deze oefeningen van hun kleine nichtje aan haar grote neef en nichten als ik op woensdagmiddag met ze na school aan de bolletjes met pindakaas zit. Een setting die nogal eens verwordt tot strijd om dingen als ‘hij kijkt gemeen naar me’ en ‘maar zij steekt haar tong uit’.

Nu luisteren ze alle drie doodstil. En zuchten aan het slot.
‘Oh wow!’