Schaduw

‘Pfff… wat is het heet.’
Ik sta met kleindochter Sophie (‘wanneer word ik nou eindelijk een keertje 7’) in de felle zomerzon buiten te wachten op haar moeder, die haar naar haar wekelijkse atletiekclub brengt.
‘Zullen we in de schaduw gaan staan?’, stel ik voor.
Ze knikt en kijkt zoekend rond.
‘Waar zou die vandaan komen denk je?’, vraag ik om haar te helpen.
Ze wijst naar wat willekeurige lage struiken in de straat.
‘Die boom en die boom en die boom?’
De zon staat ondertussen vrijwel recht boven ons en maakt onder het bladerdek van een hoge boom langs de rijweg een plek schaduw. Ik wijs hem aan en we lopen erheen.
‘Zie je waar de zon staat?’, vraag ik haar.
Ze wijst overal om zich heen op het asfalt van de weg en de tegels van de stoep.
‘Daar en daar en daar en daar.’
‘Kijk eens boven je.’
Ze ziet hem, knijpt haar ogen dicht.
‘Ah, daar!’ zegt ze.
Ze stapt meteen uit de schaduw van de boom en gaat met haar rug naar de zon toe staan. Voor haar ligt zij nu zelf in schaduwvorm op de stoep. Ze kijkt er naar.
‘Ik sta in mijn eigen schaduw, maar toch heb ik het heet!’, zegt ze een tikje beledigd.
‘De zon schijnt op je rug’, leg ik haar uit en laat op mijn eigen rug zien hoe dit geheimzinnige natuurfenomeen werkt.
‘Wat zie je op mijn rug?’, vraag ik.
‘De zon!’, roept ze.
‘En voor me?’
‘Schaduw!’

Daarna is het even stil. Met de zon in haar rug, kijkt ze naar de donkere afbeelding van haarzelf op de tegels voor haar. Denkt na. En is er dan achter.
‘Je wordt je eigen schaduw!’, zegt ze, opgelucht.
En aarzelt dan.
‘Toch?’

Het antwoord wacht ze niet af. In plaats daarvan springt ze met een zigzaghuppelsprong de straat af. In haar eigen schaduw.