Spel

Ik sta met naar evenwicht zoekende benen op het Ikea-trapkrukje uit de keuken. Met één hand wrik ik, net iets boven mijn macht, een spelletjesdoos uit een stapel bovenop de boekenkast in de huiskamer. De rest van de dozenpilaar is zowel steun als lawinegevaar. Onder mij, op het vloerkleed, geeft kleindochter Sophie (5) instructies.
‘Die daaronder. De witte met de zwarte letters. Ja die!’
Wanneer ik met één hand nog aan de boekenkast van het trappetje afstap, pakt zij de doos met het voor mij volstrekt onbekende spel Abalone alvast van mij over en loopt ermee naar de eettafel. Ze wil het per se spelen.

‘Weet jij dan hoe het moet?’, vraag ik terwijl ik het krukje terugbreng naar de keuken.
Ze knikt en probeert ondertussen een stuk of twintig rondstuiterende witte en zwarte knikkers met haar armen bij elkaar te houden om ze daarna in een of ander plastic raster met voorgevormde holletjes te leggen. Ik kom bij haar zitten.

‘Zo neerleggen’, wijst ze op de zwarte knikkers die ze aan haar kant strak op rij ordent.
Ik heb de witte, neem ik maar even aan.
‘En nu?’, vraag ik wanneer ze aan twee kanten in nette lijntjes liggen.
‘Ik weet het!’, roept Sophie terwijl ze druk met haar handen heen en weer gaat over het ingerichte spel. ‘Je doet zo en zo en zo en zo en zo en dan sla ik je. Zo!’
Ze knalt met een van haar zwarte knikkers een witte van mij uit zijn schuilplekje en duwt hem naar de rand van het raster waar hij met een tik in een soort gootje belandt.
‘Die is van mij’, besluit ze haar uitleg.
‘Aha..’, zeg ik en zet, net als zij deed, één van mijn andere witte knikkers een vakje richting de zwarte.
‘Dat mag niet’, snijdt Sophie me direct de pas af.
‘Waarom niet?’, vraag ik.
‘Ze moeten in de rij blijven.’
‘En jij dan net?’

In plaats van een antwoord, pakt zij opnieuw een van haar zwarte knikkers, springt van holletje naar holletje naar mijn linies en schuift de volgende witte van mij routineus van het spelbord af. Ik begrijp het nog steeds niet, maar doe nu precies dezelfde hinkstapsprong van haar na en steek mijn hand al uit om de buit te incasseren.
‘Nee!’, zegt Sophie meteen scherp. ‘Zo hoort dat niet!’
Ze pakt haar knikker terug en legt die weer op het rijtje waar ik hem uitgetikt had.
‘Maar hoe dán?’, vraag ik.
‘Nou gewoon’, zegt ze en keilt na een rappe spurt met haar knikker de volgende van mij de goot in. En nog een. En nog een. Ze grinnikt er bij. Weer eentje. Binnen de kortste keren rollen al mijn knikkers uitgerangeerd in het gootje aan haar kant van het spel. Ze telt ze, op fluistertoon voor zich uit. En kijkt dan naar mijn kant van het bord.
‘Jij hebt er nul!’, zegt ze en steekt twee handen in de lucht als een gebaar van verontschuldiging en overwinning tegelijk.
‘Ik heb gewonnen!’, concludeert ze. ‘Ik ben hier goed in, hè?’
Ze kijkt me aan. Een tevreden glimlach op haar gezicht.
‘Nog een potje?’, vraagt ze vriendelijk.