Yulan

Ik sprak ze al vaker samen als ik op mijn opadag aan het schoolhek stond te wachten. Kleindochter Sophie (5) samen met haar vriendje, een Aziatisch ogend jongetje van ongeveer haar lengte. Op de speelplaats zag ik hem meestal Sophie scherp als een schaduw volgen en alles nauwkeurig nadoen wat zij deed. Als in alles. Zij een huppeltje tussen haar passen, hij ook een huppeltje. Zij struikelend over de rand van de zandbak, hij direct daarna vallend met precies dezelfde beweging. Voor zover ik wist, sprak hij geen Nederlands.
‘Verstaan jullie elkaar?’, vroeg ik wel eens door de spijlen van het hek waar ze samen tegenaan kwamen leunen.
‘Yulan verstaat me’, verzekerde Sophie me.
‘En welke taal spreekt Yulan?’
‘Dat weet ik niet, maar ik begrijp hem.’
Yulan zelf stond er met licht gebogen hoofd bij en zei geen woord.

Een paar maanden geleden kwamen ze nadat de bel was gegaan hand in hand samen het hek uit.
‘Dit is mijn vriend’, legde Sophie me uit, alsof ik ze al niet vele keren samen had gezien. ‘Mag hij komen spelen?’
Yulan en zijn inmiddels gearriveerde moeder bleken uitsluitend Chinees te spreken, dus konden we alleen met vingertekeningen in de lucht en woordjes tikken in Google Translate een speelafspraak maken, waarvan ik dan maar hoopte dat we allebei hetzelfde hadden begrepen. Ondertussen legde Sophie Yulan geduldig uit dat we met de bakfiets gingen en dat opa op woensdag altijd koekjes bij zich had. En bolletjes voor thuis. Yulans reactie was knikken bij alles wat ze zei en de laatste woorden herhalen. Koekjes bij zich. Bolletjes voor thuis.

‘Ik wil op deze dag altijd hetzelfde doen’, ordende Sophie voor mij en haar de wereld toen ze een week later op opadag opnieuw met Yulan aan de hand het hek uit kwam. Yulan zelf ging ook nu weer voornamelijk zwijgend mee, Sophies laatste woorden herhalend en soms, als hij het blijkbaar echt niet meer wist, zijn armpjes voor zich op tafel met zijn hoofdje erop. Zachtjes op en neer. En soms best wel hard.
‘Dat doet hij op school ook’, legde Sophie nuchter constaterend uit.

‘Driehonderdzesentachtig!’, riep Yulan de week daarna opeens vanuit de bakfiets, met zijn vinger wijzend naar een huisnummerbordje in de straat waar we doorheen reden. Inderdaad met 386 erop.
‘Yulan!’, riep ik vanachter het stuur. ‘Wat knap! Horen jullie dat, jongens?’
‘Driehonderdachtennegentig!’, wees Yulan alweer een volgend bordje aan.
De rest van de bakfiets viel stil van bewondering.

Nog weer een week of wat later, is van het gebruikelijke zwijgen en herhalen van Sophies laatste woordjes geen sprake meer. De twee staan zoals ze gewend zijn hand in hand klaar bij het hek.
‘Kom je bij ons spelen?’, vraag ik aan Yulan.
Zoals hij meestal doet wanneer ik hem rechtstreeks iets vraag, buigt hij zijn hoofd licht voorover en knikt bijna onmerkbaar. Maar dan.
‘Heb je koekjes?’, hoor ik hem zomaar in loepzuiver Nederlands vragen wanneer hij na Sophie de bakfiets in klimt.
‘Eh, ja…’, zeg ik een beetje verbaasd.
‘En bolletjes voor thuis?’, vraagt hij er direct achteraan.
‘Yulan!’, zeg ik. ‘Jongen! Maar natuurlijk!’