Stoned

Wijn mag ik niet meer van de allergoloog en het concept ontspannen ken ik alleen van horen zeggen, dus ben ik maar weer eens teruggegaan naar lang geleden. Stoned worden. Wiet of hasj roken zoals vroeger wil ik niet, vanwege mijn eigen keel en de lucht van anderen. Als alternatief kocht ik daarom een flesje wietolie, officieel verboden maar na wat zoekwerk gewoon op internet te bestellen en door PostNL in de brievenbus gedeponeerd. Een bruin flesje met pipet zoals bij de apotheek. Paar druppeltjes onder de tong en…

Niks aanvankelijk. Dus nog maar wat druppels genomen om er na een half uurtje achter te komen dat verteren trager gaat dan roken. Een les die ik ooit al eens had geleerd met heerlijk bereidde spacecake – mag ik nog een stukje? – maar die moest blijkbaar even opnieuw. Voordeel: de effecten worden dan erg duidelijk. En brachten een al even heldere conclusie: wiet doet precies wat je eenmaal op leeftijd zo lang mogelijk wilt vermijden.

Waar alcohol de tijd laat krimpen – opeens blijkt iedereen al lang naar huis – doet wiet het tegenovergestelde. De tijd rekt zo ver uit dat je zelfs tussen het opkomen van een gedachte en het formuleren, laat staan uitspreken ervan de weg volledig kwijtraakt. Maar dat geeft niet, want iedereen is stoned en snapt je dus zo ook wel. Denk je. Niet alleen tijd, ook het besef van plaats slaat met wiet van zijn ankers. Ik herinner me nog een flinke oploop op het kruispunt van de Ceintuurbaan en de Ferdinand Bolstraat, veel drukker krijg je ze niet in Amsterdam, omdat ik daar in andere tijden midden op de weg door de voorruit van mijn auto gefascineerd zat te kijken naar de wisseling tussen rood, groen en oranje van de verkeerslichten, zachtjes schommelend aan onzichtbare draden uit de hemel. ‘You know how grass smells’, zong Pink Floyd op de achtergrond.

Zo erg is het dit keer niet. Ik zit gewoon op de bank naar het Journaal te kijken waar Rob Trip, met een vreemd soort nadruk op verkeerde lettergrepen zo erg hetzelfde zegt als gisteren dat ik letterlijk zijn tekst kan voorspellen. Als ik de woorden mijn mond uit zou weten te krijgen. Nu kan ik alleen maar twee armen optillen en naast me neer laten vallen uit verbazing dat niemand dit in de gaten heeft. Ik wel, dus ik zet de televisie uit en overdenk een uur of wat dat er in de koelkast appelsap staat en dat suiker nog wel eens de verstoorde waarneming tot rust wil brengen. Maar zo ver kom ik niet, want ergens in de aansturing van armen en benen zit een schakelfoutje tussen voornemen en uitvoering. Tot ik het idee van opstaan laat varen en verdomd opeens als Buzz Lightyear uit zijn speelgoedkist overeind spring, met stramme zigzagpassen op zoek naar een enigszins logische lijn richting einddoel.

Ontspannend wellicht, op een bepaalde manier. Maar als dolende in de steppe tussen AOW-grens en eindpaal iets teveel van de cerebrale mist die toch al aan de horizon hangt.

Het bruine pipetflesje heb ik, eenmaal weer op geografische orde, met resterende inhoud en al in de vuilnisbak gekieperd.