Natuur

In het park waar we op weg van school naar huis doorheen komen, ritselen rood-witte afzetlinten aan scheefgezakte paaltjes in een stevige zuidwester wind. Ernaast billboards met impressies hoe het park er na een blijkbaar nodig geachte renovatie uit komt te zien. Vol blije wandelaars, kennelijk. Maar met minder bomen.
‘Die grote daar gaat weg’, wijst kleinzoon Liam (9), duidelijk op de hoogte.
Het is de reus van het park. Genoeg aan zichzelf in een verder leeg gazon, zijn armen breed uitgestrekt als een dak van rust voor wie maar wil. We staan er, van aanraken weerhouden door de afzetting, met zijn vieren een beetje beduusd naar te kijken. In de verte de gil van een motorzaag.
‘Er zit zelfs nog een vogelnestje in!’, zegt Liam.

‘We zorgen helemaal niet goed voor de natuur’, concludeert kleindochter Elin (7). De verontwaardiging is hoorbaar in haar stem.
‘Mensen staan bovenaan de voedselketen’, plaatst Liam het gevoelde onrecht in vers verworven wetenschappelijk perspectief. ‘Maar eigenlijk klopt dat niet want we zijn niet sterker dan veel dieren.’
‘Maar wel slimmer?’, probeer ik.
‘Noem je dat slim?’, vraagt hij. ‘Als we bomen weghalen, kunnen er straks geen bijen meer leven en als er geen bijen meer zijn, hebben we ook geen fruit.’

Ik opper nog iets over licht en lucht voor andere bomen en planten? Maar de drie zijn unaniem. En bezorgd.

Verder onderweg gaat het gelukkig ook over heel andere dingen. Liams werkstuk over Tanzania en vooral het grote ‘waaróm opa?’ van deze schoolopdracht. Kleindochter Sophies (5) overwinningen bij haar eerste oefeningen met letters natekenen. ‘Schrijven is makkie, joh!’ Elins overpeinzingen wanneer een kitten eigenlijk ophoudt kitten te zijn en gewoon kat wordt.

En biedt diezelfde natuur ook heel andere observaties.
‘Ik zag een vogel zó omhoog gaan’, meldt Liam enthousiast terwijl hij met zijn hand een recht opgaande beweging maakt.
‘Als een helikopter?’, vraag ik.
‘Nee’, legt hij uit, ‘Die heeft een motor. Dit was gewoon door de wind…’
Hij denkt er duidelijk nog even over na.
‘Zou dat door de evolutie komen?’, vraagt hij dan. ‘Omdat het zoveel waait?’
‘Nou…’, aarzel ik. ‘Volgens mij gaan veranderingen door evolutie héél langzaam. Als in tienduizenden jaren of zo?’
Hij knikt. Niet overtuigd, meer bij het idee dat zich in zijn eigen hoofd verder ontwikkelt.
‘Die vogel was denk ik al een hele tijd aan het evolueren. En nu…’, twee handen in de lucht, ‘is hij klaar.’
Hij glimlacht tevreden voor zich uit.
‘Een vogel die zich laat optillen door de wind… Cool.’