Bruggetje

‘Opa! Kijk! Ik kan een bruggetje!’
Ik ben met kleindochter Sophie (5) onderweg naar huis. We hebben haar zus naar dansles gebracht en zij heeft op de terugweg de bakfietsbak voor zichzelf. Precies bekijken kan ik het niet vanwege het regendakje dat erop zit, maar een stukje blote bolle buik zie ik tussen de bankjes wel omhoog steken.
‘Met mijn buik zó’, roept ze ter verduidelijking naar me, ‘en dan mijn hoofd zo en zo en mijn benen zo en zo en zo…’
‘Ik zie het’, roept ik terug, vooral als antwoord op haar enthousiasme.
‘Mijn ouders kunnen dit niet’, hoor ik haar weer haar eigen gymnastische prestaties becommentariëren. ‘En mijn broer en zus ook niet. Ik ben de enige die het kan!’
‘Doe je wel een beetje voorzichtig?’, vraag ik.
Maar dat spoort alleen maar aan.
‘Ik kan dit de hele weg!’, roept ze terug.

Daar lijkt het ook op, want na ruim tien minuten fietsen zie ik nog steeds haar buik tussen de twee bakfietsbankjes de lucht in wijzen.
‘Als we er zijn, moet je dan meteen naar huis?’, roept ze vanuit haar acrobatenpositie naar me.
‘Nou zo, ja.’
‘Mag ik dan eerst iets laten zien? Op het kleed? Heel snel?’
‘Is goed, meid.’

Eenmaal thuis, springt ze van bruggetje naar gewoon Sophie, klimt de bakfiets uit, rent voor me uit de gang door en de kamer in, steekt twee handen in de lucht en duikelt in een soort kikkersprong het vloerkleed op. De vaart die ze heeft, tilt haar billen en benen los van de grond. Héél eventjes. Voor ze, vrijwel meteen daarna, op handen en voeten landt.
‘Zag je dat?’, vraagt ze.
‘Zeker!’, zeg ik.
‘Mijn voeten waren in de lucht!’
‘Ik zag het’, zeg ik. ‘Het leek wel een radslag.’
Ze knikt. En lacht.
‘Zal ik het nog eens doen?’