Zuinig

Een Russische roofridder is een wat wrange aanleiding, maar op zich kan wat meer zorgvuldigheid bij het omdraaien van lichtknopje en gaskraan geen kwaad natuurlijk. En het leent zich mooi voor verhalen over vroeger toen we nog wisten wat zuinig was. Ik heb ze ook.

In ons driekamerflatje waar we met zijn zevenen woonden, was één kachel. De haard, die als je een beetje geluk had ’s morgens nog zacht nagloeide zodat opporren en nieuwe kolen erop voldoende was om je – in een kringetje struikelend over weerbarstige pyjamabroeken – bij aan te kleden. De rest van het huis was in de winter steenkoud, met ijs op de ramen en wanneer het een beetje tegenzat als bevroren ademtocht op je deken. Met je kleren deed je de hele week, want wasdag was alleen op maandag, wanneer de keuken veranderde in een doolhof van wapperende lakens. In bad gingen we op zaterdag, om de beurt in het lavet, een soort buitenmaatse wastafel waar mijn moeder ook de was in deed. Alle vijf op volgorde in hetzelfde water, dus de dag waarop ik extra blij was niet de jongste te zijn. Wasmachines kwamen pas veel later, goed voor urenlang turen naar de schuimtuimelingen van je eigen onderbroek. Koelkast of vriezer bestonden misschien wel, maar niemand had zoiets. Melk en kaas kwamen met paard en wagen dagelijks vers aan de deur. Naar de slager renden we, ook weer om beurten, na school met een briefje van je moeder. Voor bederven was de tijd niet en je bord ging schoon leeg, desnoods met een door je vader dichtgeknepen neus en een ruw binnengewrikte lepel.

Klinkt naar zuinig en zorgvuldig, maar is het niet. Ons flatje was, zoals zoveel woningen toen, vlak na de oorlog gebouwd. Wij waren de eerste bewoners. Evengoed loeide de kolenkachel vooral voor de buitenlucht, zelfs eenvoudige kierafdichting was bij niemand opgekomen. En dat niet alleen. Mijnwerkers en kolensjouwers hijgden zichzelf een paar stoflongen. Huiskamers stonden – gezellig, steek er nog eentje op – stijf van de nicotinedampen. De eerste vloedgolf auto’s en brommers braakte blauwe wolken lood- en zwavelhoudende uitlaatgassen de straten in. Met gelaten regelmaat gilden de sirenes vanwege zware verkeersongelukken in de winkelstraat bij ons om de hoek, net aan goed voor de vraag ‘is het er eentje van jou?’ Op het weiland aan het eind van de straat verbrandde farmaceut Philips Duphar zijn chemisch afval. Elke woensdag, gewoon in de open lucht, pal naast het veldje waar we met twee doelpalen van afgestroopte kleren ‘wie scoort die keept’ deden. Dat was diezelfde tijd.

Het was geen tijd van zorgvuldig en zuinig. Het was – na vijf jaar narigheid – de ingehouden aanloop naar een volstrekt verkwistende jubelsprong. De lange termijn, who cares?

Ik heb een verhaal. Maar de verhalen van nu zijn zoveel beter.