Praten

‘Ik ben niet zo hèl erg goed in gaan slapen.’
Kleinzoon Jonas (7) is met zijn broertje en papa op bezoek uit Noorwegen en slaapt een paar nachtjes bij opa en bonusoma. Gaan slapen is dus niet zijn sterkste punt, meldt hij meteen, zoekend naar de goede Nederlandse woorden. Net als ‘dat wil ik nooit’, op mijn voorstel om voor hij in bed kruipt even te plassen. ‘Maar in Noorwegen moet het ook’, concludeert hij dan zelf al.

Daarna nemen we zijn eerste paar dagen in Nederland door.
‘Ik heb in de bus gezeten’, vinkt hij als eerste hoogtepunt van zijn lijstje af. ‘Ik heb in de tram gezeten. Ik heb in de bakfiets gezeten! Ik ben bij oom Pieter geweest. Ik heb pizza ge-eten. Ik heb pannenkoeken ge-eten. Ik ben in de kinderboerderij geweest. En ik heb een lieveheersbeestje gevonden! Twee!’
Bij dat laatste spert hij zijn ogen wijd open, net zoals toen hij de twee kleine beestjes ontdekte, zwart met oranje stippen, langzaam voortkruipend op de stalen brandkraan bij ons voor de deur.

Dan lezen we samen twee hoofdstukken – en daarna nou nog ééntje dan – over de tamelijk onnavolgbare avonturen van Sjors en Harold in Kapitein Onderbroek en nemen we zijn prestaties van de dag door met zijn absolute favoriet Pokémon Go. De fijne details van het digitale spel ontgaan me een beetje, maar ik begrijp dat hij met zijn tante, tevens friend in de wereld vol vreemde wezens, iets heeft geruild en dat hij met veel rondzoeken in de echte wereld figuren met namen als Gengar, Alakazam en Meganium aan zijn collectie heeft toegevoegd.
‘Blijven kijken opa!’, herhaalt hij een paar keer met de benodigde strengheid tijdens het swipen door de afbeeldingen.

Hoe hij die Pokémons dan precies aan zijn collectie toevoegt, legt hij me geduldig uit. En nog eens als hij aan mijn aarzelende blik ziet dat het verhaal niet helemaal in zijn volle glorie bij mij landt.
‘Praatte jij met papa ook zo toen hij zeven was?’, vraagt hij dan opeens.
‘Eh… ja. Hoe bedoel je?’
‘Zelfde tóón?’, vraagt hij in een Nederlands dat klinkt als Noors.
‘Dat denk ik wel…’, zoek ik een beetje naar waar hij precies op doelt.
Verder uitleggen kan hij blijkbaar niet. Dat geeft ook niet.

Samen luisteren we op mijn telefoon naar het muziekje waarmee hij graag in slaap valt, ook al is hij daar naar eigen zeggen niet zo goed in. Dekbed tot aan het randje van zijn krullen, zijn gezicht – half in het kussen – mijn kant op gedraaid.
‘Ik wil Nederlands niet vergeten’, zegt hij met een stem die al een beetje onderuit glijdt.
‘Dat is heel fijn, jongen.’
‘Want als ik het vergeet, kan ik niet meer met jij praten…’
Hij knikt er bij, zijn ogen al dicht. Tevreden over zijn besluit.