Kamp

Zijn papa en mama zijn op hun werk, dus sta ik op de stoep van de school wanneer kleinzoon Liam (9) in een luid toeterende bus arriveert na vier dagen kamp voor de bovenbouw waar hij met het nieuwe schooljaar toe behoort. Vier dagen waarin ik onwillekeurig moest denken aan mijn eigen ervaringen met het opgelegde plezier van je veilige thuis min of meer vrijwillig inruilen voor de overlevingsjungle van het groepskamperen. Scholen waren toen nog alleen voor basale kennisoverdracht (’Dit is de letter ááá’), maar de welpen waar ik, ook zo rond mijn negende, op zat waren voor het plezier. Hoe die belofte samenhing met nachtenlang naar knoestige zolderbalken staren op een venijnig prikkende strozak terwijl even verderop de hopmannen en akela’s met gierende uithalen en rinkelend glaswerk in een fel verlicht hok iets hadden dat klonk als lol, heb ik nooit goed begrepen. Ik was liever thuis.

Dat gold niet voor Liam die, nadat we met de handen op onze oren het welkomstgetoeter over ons heen hadden laten komen, met een tevreden lachje uit de bus stapte. Wat ze allemaal hadden gedaan daar in die Brabantse bossen, vatte hij bondig samen met ‘activiteiten’. Zijn grote vreugde, merkte ik al snel, betrof vooral wat hij allemaal had gezien en gehoord en begrepen. Van de bussen met ingebouwde disco-apparatuur, tot de kampeerboerderij waar de vroegere stal een slaapzaal was en hij had ontdekt dat de ramen ooit gaten waren die de kinderen van de kinderen van de kinderen van de oorspronkelijke boerenfamilie hadden afgedekt met glas. Of de treklampjes ‘gewoon van Ikea’ die tijdens de nachtelijke speurtocht het pad hadden gemarkeerd waarlangs zich ergens een wolf schuilhield. En tevoorschijn spong natuurlijk.
‘Schrok je niet?’, probeer ik toch nog even mijn eigen herinneringen het gesprek in te fietsen.
Hij haalt zijn schouders op.
‘Jawel’, zegt hij dan met een lachje. ‘Maar het was gewoon de meester.’

Bovendien waren er belangrijkere dingen. De inrichting van de eetzaal bijvoorbeeld en hoe ze zelf groepjes moesten vormen om samen mee te eten. Of de organisatie van de slaapafdelingen, die hij me haarfijn en met de beddenaantallen erbij uit de doeken doet. En, kennelijk hoogtepunt, het fenomeen lopend buffet.
‘Kijk’, legt hij uit terwijl hij bij wijze van demonstratie voor me gaat staan. ‘Dan was er zo’n kookmevrouw en die zei “wil je een hamburger?”. Ja. En dan kreeg je een hamburger. En daarnaast stond er weer eentje en die had van die blaadjes, hoe heet dat ook alweer?’
‘Sla?’
‘Ja, sla. “Wil je sla?”. En dan een met komkommer. “Wil je komkommer?”. En tomaat. “Wil je tomaat?”
Hij zucht er nog van als hij de herinnering terughaalt.
‘En?’, vraag ik. ‘Wat nam jij?’
‘Alles’, zegt hij. ‘En daarna mocht je nog een keer. Maar dan zonder hamburger.’

‘En het slapen dan? Hoe deed je dat bijvoorbeeld met je bril?’, wil ik nu toch wel erg graag alle details weten.
‘Gewoon’, zegt hij. ‘In mijn brillenkoker en dan onder mijn kussen.’
‘Jongen toch’, zeg ik. ‘Wat knap.’