Vraagtekens

Kleindochter Elin (7) is na de zomervakantie weer ruim een week naar school en de vraagtekens dwarrelen door haar hoofd.
‘Woorden bestaan eigenlijk niet’, legt ze me één daarvan uit.
‘Oh?’
‘Die hebben mensen verzonnen.’
‘Klopt’, zeg ik. ‘En dan bestaan ze, toch?’
Daar moet ze even over nadenken.
‘Maar hóe hebben ze dan woorden verzonnen?’
Ik probeer het via de geluiden van het nieuwe katje dat ze in de vakantie hebben gekregen. En slimme mensen die van hun eigen mauwen, grommen en knorren steeds meer verschillende woorden maken.

En dus, die mens.
‘Dat van die apen en zo dat weet ik wel hoor. Maar hoe komt dan die állereerste mens er zomaar opeens?’

En zo belanden we via bacteriën en algen, vogels en apen bij mensen die steeds meer leren, papa’s en mama’s die dat weer aan hun baby’s doorgeven – dat ga ik ook doen met mijn kinderen! – en uiteindelijk bij de school waar juffen en meesters kinderen woorden leren schrijven. Ze knikt tevreden.

Maar toch.
‘De tijd van de dino’s lijkt me wel een zware tijd’, zucht ze.
‘Hoe dan?’
‘Ze zijn zo groot…’
‘Misschien maar beter dat ze er niet meer zijn?’
Ze kijkt stil voor zich uit.
‘Toen jij klein was…’, zegt ze, ‘waren ze er toen nog?’
En dan, dringender.
‘Misschien zijn ze er nog steeds en hebben ze zich ergens verstopt…’