Over

Hij is één van de mannen die in het stukje stad waar ik woon hun dagen stuk slaan met zigzaggend rondtrekken, op bankjes hangen en voorbijgangers vragen om een bijdrage in hun levensonderhoud. Alhoewel, dat laatste heb ik hem nooit zien doen. Wel op bankjes zitten, meestal met een pak yoghurt naast zich. En heftig hoestend, zo hard en raspend dat je bang bent dat er essentiële onderdelen mee naar buiten zullen komen. Hij rookt, vrijwel permanent.

Ik maak wel eens een praatje met hem. Tenminste, ik luister een tijdje naar de boodschap die hij volgens een vast stramien de wereld in stuurt.
‘Weten je kinderen het al?’, begint hij meestal.
Een antwoord is niet echt nodig.
‘Heb je ze gewaarschuwd?’
Waarop ik dan iets mompel van hoezo of wat bedoel je. Maakt niet uit. Hij vertelt over de naderende ondergang van de wereld en roept me met klem op dit scherp in de gaten te houden en mijn kinderen en kleinkinderen op de hoogte te brengen.

Vanochtend kwam ik hem weer tegen, bij de ingang van Albert Heijn waar ik ’s morgens vroeg altijd als een van de eerste klanten mijn boodschappen doe en ik hem bij de balie met shag en sigaretten aantref om zodra de winkeldeur openzoeft zijn dagvoorraad aan te vullen.

Hij lacht. Dat doet hij meestal, wat hem nogal onderscheidt van de andere getroebleerde mannen in ons buurtje. Maar dit keer is zijn lach nog net iets breder dan normaal.
‘Ik ben veertig jaar in de war geweest’, roept hij meteen zodra hij me ziet.
Ik knik. Hij zegt het zelf.
‘En nu is het over!’
Hij heeft al tijden geen tanden meer, dus zijn lach boetseert hij met uitsluitend zachte materialen. Maar hij is er niet minder uitbundig om.
‘Hoe dat zo?’, vraag ik.
‘Gewoon!’, zegt hij. ‘Aan mezelf gewerkt…’
‘Wat fijn voor je!’, zeg ik. ‘En hoe dan?’
Daar kijkt hij me even lang voor aan.
‘Dat weet ik niet…’, zegt hij dan. ‘Maar het is over.’
‘De mist is opgetrokken?’, vraag ik.
‘Zomaar opeens’, knikt hij.

Bij het meisje achter de sigarettenbalie doet hij zijn bestelling. Ik pak een mandje van de stapel en ga het winkelhekje door om mijn boodschappen te doen.
‘Vergeet je niet je kleinkinderen te waarschuwen?’, roept hij me achterna.