Oud

Met jou wil ik oud worden. Het is een verwoording van liefde en vertrouwen waar meestal niet al teveel beelden aan zijn gekoppeld. Misschien maar beter ook. Ik heb mezelf in elk geval nooit veel voorstelling gemaakt van oud zijn en al helemaal niet van samen oud zijn en al helemáál niet van samen allebei oud zijn. Want dat is het.

‘Heb je lekker gemaakt. Wat zit er doorheen?’
‘Die vrucht. Je weet wel, die jij gisteren had gekocht.’
‘Gisteren? Vrucht?’
‘Ja, dat zeg ik toch. Hoe heet zo’n ding ook alweer. Zo’n zoete die altijd of te hard of te zacht is.’
‘Oh ja. Ik weet wat je bedoelt. Hoe heten ze…’
‘Niet avocado. Die andere…’
‘Ja, precies.’

En dan zitten we nog rustig aan tafel. Geen chaotische verkeerstaferelen zoals pas nog met die puber op zijn bezorgbrommer die het vel van mijn tenen schaaft en schreeuwt of ik niet uit mijn ogen kan kijken. Ouwe lul! Nee dus. Ik kijk wel uit mijn ogen, maar iemand knipt alles wat snel beweegt er stiekem tussenuit. Gelukkig pakt mijn lief me net op tijd bij mijn arm.

‘Je hoeft je niet groot te houden hoor’, zegt ze tegen me als ze ziet dat ik er wat wankeltjes van ben.
‘Jij ook niet, schat’, zeg ik terwijl ik haar net op tijd behoed van een misstap op de stoeprand. Haar zicht is in orde, haar evenwicht niet.
‘Pet en Pannenkoek’, mompelt ze.
‘Wat zeg je?’
‘Volgens mij begin je doof te worden.’
‘Zou kunnen…’
‘Wat?’

Bij het terrasje waar we neerstrijken, schuift de ene bejaarde na de andere zijn e-bike in het fietsenrek en trekt met krassende geluiden een stoel bij. Plof. Hèhè.
‘Oude mensen’, constateren we allebei.

Met het zekere gevoel dat we daar nog lang niet bij horen.