Zenuwen

Ooit was ik zo graag en geroutineerd onderweg dat ik er serieus over heb nagedacht of ik niet reizend zou kunnen bestaan. Reisleider, motorkoerier zoiets. Voor vertrek maakte ik me altijd wel zorgen en overdacht ik mijn opties bij stortregens, slippartijen, een lekkende tent of motorpech. Maar het waren functionele zorgen. Eenmaal onderweg kon ik vertrouwen op wat ik had uitgedacht en op mijn vaardigheid om dat op elk gewenst moment opnieuw te doen.

Dat is veranderd met het ouder worden. Zorgelijke overpeinzingen voor vertrek heb ik nog steeds, meer dan ooit zelfs. Maar tot enige constructieve rampenbestrijding leidt dat al lang niet meer. Ik bedenk zulke plannen wel en scan bijvoorbeeld mijn ID-kaart voor geval iemand me besteelt. Maar vervolgens vergeet ik dat ik het heb gedaan en als dat al heel langzaam boven komt drijven, heb ik geen idee meer waar ik de scan heb opgeslagen om in mijn noodscenario aan de ambtenaar op het Nederlandse consulaat te tonen. Dus maak ik een nieuwe scan en vind, verdomd als het niet waar is, zomaar opeens het mapje op mijn telefoon waar de vorige ook al staat. Klaar voor zo’n zelfde zinloze cirkel enkele dagen later.

Mijn zenuwen draaien doelloze rondjes. Een beetje zoals heel lang geleden, toen ik bij het kamperen in de grote donkere tent over de slaapzakken van mijn vader, moeder en vier broertjes struikelde op zoek naar het lichtknopje. Elke nacht opnieuw.

Wanneer ik een paar dagen naar Oslo ga voor de verjaardag van kleinzoon Jonas (7!), kom ik bij het voorbereidende nadenken dan ook niet veel verder dan raadplegen van de Noorse buienradar en constateren dat een regenjackie volstaat. Schone onderbroek moet ook mee natuurlijk. Pillen niet vergeten. Maar alleen dagen in het vooruit een rugzakje klaarzetten en wat ik bedenk direct daarin doen, helpt. Voor de rest zijn mijn allengs strakker aangedraaide zenuwen een volstrekt autonoom proces geworden zonder enige inhoud. Elke dag dat de reis dichterbij komt, spant mijn lijf een tandje verder aan waardoor ik ’s nachts zo om het uur wakker schrik van de zelf aangedane pijn in schouders en rug. De mailtjes vol uitroeptekens van de KLM om te waarschuwen voor chaotische taferelen op Schiphol (check uw omboekopties!) zijn daarbij vergeleken een kleine rimpeling.

Het is eerder zoals het kleine jongetje dat op de vlucht naar Oslo verbaasd het gangpad op en neer loopt om zijn medepassagiers met grote ogen te vragen: ‘Vinden jullie het niet éng?’

Hij zag het en ik inmiddels dus ook. Van huis weg is gewoon eng. Goed bedachte scenario’s met slimme uitwegen kunnen dat niet langer toedekken.

Jonas met zijn broertje Julian (4) aan weerszijden naast me op de bank kunnen dat wel. Strak tegen mij aan, controllers in aanslag en ogen op het TV-scherm dwalen ze rond in Luigi’s Mansion, Jonas zijn verjaardagscadeau. Alles is schots, scheef, donker en creepy in het herenhuis. Rondzwaaiend met hun zaklantaarns zoeken de jongens in de schermversie van zichzelf samen naar een uitweg. Tot ze onder een versleten tapijt waar ze al een paar keer over zijn gestruikeld – spoiler alert – een doorgang vinden die, eenmaal ontdekt, zich ontpopt als een gouden poort met aanlokkend hemels licht en bazuingeschal aan de andere kant.
‘Jaaaa!’, juicht Jonas naast me terwijl zijn kleine broertje op de bank stuitert van opluchting. ‘Volgende level!’