Weg

Bij mijn vijftigste verjaardag, stapte ik op de motorfiets voor een tocht langs de Atlantische kust van Frans en Spaans Baskenland. Toen ik zestig werd, pakte ik mijn fietstassen in en maakte ik een rondje door Nederland, via de grote rivieren en de IJssel heen, terug over de Afsluitdijk en langs de Noordzeekust. Nu ik onlangs zeventig ben geworden, is mijn ambitieniveau afgeslankt tot een fietstochtje over de Zuid-Hollandse eilanden met een overnachting in Ouddorp. Het is zoals het is.

De afstanden krimpen, de voorbereidingen rekken steeds verder uit. Twintig jaar geleden stuurde ik na wat laatste werktelefoontjes en met snelle gebaren inpakken van mijn motortassen de snelweg op met in mijn hoofd alleen een route op hoofdlijnen en een vage gedachte hoe lang ik weg zou blijven. Van het rondje door Nederland resteert op mijn pc weliswaar een routeplan in gpx, maar het tempo op de pedalen en waar ik zou stoppen en overnachten, bepaalden de kracht van de wind en de staat van mijn benen.

Mijn reservering voor een kamer in pension Ouddorp – ik verzin het niet – is dit keer al een maand in het vooruit vastgeprikt, wat ook mede de reden is om ondanks slechte weersvoorspellingen toch op pad te gaan. Met tassen die een weekend lang ingepakt op hun beurt staan te wachten en een nieuw aangeschafte stroombron om mezelf digitaal de goede weg te kunnen wijzen. Maar, zelf ooit na veel mijmerkilometers bedacht, wie een plan heeft moet onderweg vooral kunnen aanpassen aan wat anders uitpakt. Dat blijkt tijdens dit retraiterondje al snel wanneer de lift die mij met de fiets de Beneluxtunnel moet in- en uittakelen buiten dienst is. Wanneer de schipper van het pontje bij Rhoon me monter meedeelt dat hij inderdaad naar Oud-Beijerland, daar vlak aan de overkant, vaart maar nu eerst twee uur – ik verzin het echt niet – pauze heeft. Wanneer vanwege dit oponthoud de beloofde regenbuien met straffe tegenwind inderdaad opsteken lang voor ik mijn bestemming heb bereikt. Wanneer ik de net aangeschafte stroombron voor mijn fietsnavigatie vanwege kortsluitingsrisico in de stortregen moet afkoppelen en mijn telefoon als antwoord op deze algehele onthouding er na een half uur de brui aan geeft. Wanneer ik mijn zorgvuldig uitgetekende tocht langs landelijke kronkelpaadjes daardoor moet inruilen tegen rechtgetrokken fietspaden langs de voortrazende autowegen van Goeree-Overflakkee. En vooral wanneer ik bij een afzetting op het fietspad dat ik alleen op straffe van eeuwig ronddolen in regen en kou durf verlaten, mijn fiets om het rood-witte hek het gras in stuur en op de rand van het asfalt hard onderuit ga. De thermosbidon met appelsap komt rinkelend naast mijn hoofd tot stilstand.

Twee dagen later ben ik weer terug en op mijn opadag bij de kleinkinderen. Onder de eettafel heeft kleindochter Elin (6) met kussens van de bank en wat lappen uit de verkleedkist drie bedjes gemaakt. Ernaast in lukraak verspreide hoopjes liggen knuffels, voorleesboekjes, kleurpotloden, stukjes papier, potjes glitter make-up en twee ontblote barbiepoppen.

Ze heeft de dag ervoor van haar papa en mama gehoord dat ze in de zomervakantie naar een huisje in de Ardennen gaan.
‘Dat is het buitenland’, legt ze me een tikje bezorgd uit. ‘Maar we nemen ook een pannetje mee met een vuurtje om eten te maken.’
Ze gaat op een van de kussenbedjes onder de tafel liggen en trekt een klaargelegde lap over zich heen.
‘Dit is het huisje’, zegt ze, ‘in het spel.’
‘Om te oefenen?’, vraag ik.
Ze knikt.
‘Wat vind je er van?’, vraag ik.
‘Spannend’, zegt ze.
Met wijd open ogen ligt ze in haar oefenbedje.
‘Dat is het, meid.’