Buit

Kleindochter Sophie (4) zit met haar billen op het tegelpad – haar benen soepeltjes naast zich weggevouwen – en buigt zo ver voorover dat haar neus vrijwel het schelpenpaadje in de voortuin raakt. Het onderwerp van haar intensieve research. Ze zoekt glibberstenen zoals ze het zelf zegt. Kleine, piepkleine maar ook iets minder kleine kiezelsteentjes gepolijst door een lange historie van stromen en schuren. Ze pikt ze haarfijn tussen de grijze, witte en roze schelpjes uit en legt het resultaat als een geleidelijk groeiend meertje op de zitting van het houten tuinbankje waar ik op zit en naar haar kijk.

Tijdens haar zoektocht tussen de schelpen, hoor ik haar met kleine hijgjes lucht halen. Vanwege een beetje verstopte neus misschien. Maar vooral, denk ik, vanwege al het prachtigs dat ze met wroetende vingertjes te voorschijn haalt. Diepzwart, doorschijnend wit, zachtroze. Altijd glad en glanzend. Glibberstenen, inderdaad.

‘Je mag er eentje hebben’, zegt ze tegen mij terwijl ze op haar verzameling steentjes wijst die naast me op het bankje ligt. ‘En als je er eentje hebt, mag je er nog een kiezen.’
‘Jeetje, Sophie. Wat lief’, zeg ik.
Ze knikt tevreden. ‘Ik ben de baas van de glibberstenen. Ik heb ze gevonden. Kies maar.’
Ik rommel met mijn vingers door haar verzameling en kies een klein pikzwart steentje uit met een mooie diepe glans. Ik leg hem op mijn hand om te laten zien welke ik heb gekozen. Ze kijkt er even naar.
‘Die mag niet in je jaszak’, besluit ze dan. ‘Die is te klein. Ik had ook een keer een kleine in mijn jaszak gedaan. En… – twee handjes in de lucht – weg!’
‘Oké’, zeg ik en pak een wat grotere, ook mooi zwart.
Sophie veegt ondertussen de rest van haar vondsten bij elkaar, maar stopt daarmee zodra ze ziet welke ik heb gekozen.
‘Kijk opa’, zegt ze en pakt een tamelijk gewone grijze kiezel met witte adertjes van de bank. De titel glibbersteen maar net aan waard.
‘Als je wilt mag je hem voor deze ruilen… Wil je dat?’
‘Nou… goed dan…’, zeg ik.
Ik schuif de mooie zwarte weer aan bij het groepje op de bank en houd mijn hand op voor de grijze waar ik het blijkbaar mee zal moeten doen. Die draait zij nog eens rond tussen haar vingers en kijkt dan naar mij.
‘Je mag er ook nul willen’, zegt ze.
‘Ah!’, zeg ik.
‘Maar je moet wel even helpen naar binnen tillen want het zijn er superveel, toch?’
‘Is goed, meid’, antwoord ik.

Ik schuif wat kiezeltjes in mijn hand om ze voor haar naar binnen te dragen.
‘Wat ga je ermee doen?’, vraag ik.
‘Gewoon,’ zegt ze als iemand die opeens de weg weer voor zich ziet, ‘houden!’
Ondertussen kijkt ze met een schuin oog welke exemplaren ik op mijn hand heb liggen voor het vervoer.
‘Ik doe de kleintjes!’, roept ze me dan streng toe. ‘Ik wil niet dat je er stiekem eentje meeneemt!’
‘Neenee’, stel ik haar gerust.

Voorzichtig dragen we samen de buit naar binnen.