Lol

Als er zoiets bestaat als een nationale identiteit, komt die volgens mij nog het dichtst in de buurt van de collectief ingesleten tweelinggedachte feesten = verkopen. Waardeloze spullen uit kasten en lades trekken en uitgespreid over een oud beddenlaken aan elkaar proberen te verpatsen. Vraag niet naar het waarom. We vinden het leuk, in elk geval op Koningsdag.

Kleindochter Sophie (4) heeft deze inwijding in de vaderlandse volksgeest in elk geval gedeeltelijk voltooid, want als ik haar op de koningsdagmarkt op een slagveld van afgedankt speelgoed met de rest van de familie aantref, heeft ze een warme belangstelling ontwikkeld voor de onmisbare andere kant van onze feestmedaille. Kopen. En dan in een tempo dat de kosten-batenbalans van de gezinsonderneming stevig onder druk zet.

Trots laat ze me een bij de buren aangeschafte little pony met een bovenmaatse blauwe zonnebril en regenboogharen zien die dankzij een geheim knopje midden op haar plastic buik nog een liedje kan zingen ook. En een al even kleurrijke stapel zachtplastic cirkels gevuld met rijen bolletjes die je als een soort circulair bubbeltjesplastic naar de andere kant kunt duwen. En weer terug.
‘Ploppers’, legt ze uit en doet voor waarom ze zo heten.
‘Ah’, zeg ik.

Er is ook een aanschaf met wat spijtsporen, zie ik aan de manier waarop ze hem aarzelend tevoorschijn haalt uit het kratje nieuwe verworvenheden. Een fel oranje gekleurde duizendpoot, ongeveer zo lang als haar arm, waarvan het plastic lijkt gemaakt van dat vreselijke speelgoedslijm maar dan in een trilvariant. Met als gevolg dat ze de poten bijna tot de volle lengte van het beest kan uitrekken waarna deze met spastische schokjes weer terug in hun oorspronkelijke vorm bibberen. De bolle ogen die op de kop van het beest ronddobberen, trillen daarbij vervaarlijk mee.
‘Het is een monster’, zegt ze, half fluisterend om niet nog meer narigheid tot leven te wekken.
‘Oh jee’, zeg ik.
‘Monsters bestaan niet echt’, besluit ze dan en trekt het plastic mormel nog eens gevoelig aan één van zijn duizend poten.
‘Dat denk ik ook niet’, antwoord ik.
‘Maar monstergeluiden bestaan wel…’, peinst ze.

En graait dan weer ijverig verder in de krat vol vers vergaarde kostbaarheden.
‘Deze heb ik ook gekocht!’, roept ze en houdt een soort zakje van paars plasticdraad omhoog waar precies één knikker in past die je in zijn nauwsluitende omhulsel zo’n beetje heen en weer kunt bewegen. Dat is het.
‘Zit dat helemaal dicht?’, vraag ik.
‘Ja’, zegt ze en schuift bij wijze van demonstratie de knikker nog een keer in zijn korsetje op en neer.
‘Wat moet je dáár nou in hemelsnaam mee?’, vraag ik.

Een antwoord krijg ik niet. In plaats daarvan kijkt ze me aan. En zucht.

Ze begrijpt – dat zal het zijn – meer van het feest dan ik.