Nat

De blauwe bult op Buienradar is onmiskenbaar en drapeert zichzelf als een duintop in een platgeslagen polder exact rond het tijdstip waarop ik met de bakfiets kleindochter Elin (6) plus vriendin naar hun dansles in een verre buitenwijk van de stad moet brengen en kleinzoon Liam (8) voor zijn wekelijkse uurtje boulderen naar de klimhal, diagonaal de andere kant op. Alles bij elkaar een drie kwartier fietsen, met een regenvooruitzicht waarvan ik tot het laatste moment hoop dat de app het nu eens in mijn voordeel verkeerd heeft. Daar lijkt het ook even op tot, met iedereen in de bak en de vraag al enkele keren in de lucht wanneer we nou gaan, de eerste druppels zonder genade op het canvasdak van de bakfiets petsen.
‘Ik moet even mijn regenspullen aantrekken’, roep ik en wacht het antwoord vanuit de bak, waar ze met hun knieën kruislings door elkaar zitten te wachten, maar liever niet af.

Binnen grijpt het klittenband van mijn schoenenhoesjes gretig naar willekeurige prooien en lopen de ritsen van mijn regenbroek zichzelf vast in de omringende stof, maar na het nodige gehannes en gewiebel op een half aangekleed been, ben ik dan zover.
‘Die blauwe bult’, zeg ik tegen Liam met wie ik daarnet de radar samen bekeek en wijs naar de lucht waaruit de regen nu onmiskenbaar naar beneden komt, aangewakkerd door een stevige zuidwester.
‘Oh, die regen?’, zegt hij.

Op verzoek van de twee meiden doe ik de ritsen van de bakfietshuif stevig dicht en ik klim op het zadel voor het eerste stuk van de tocht. De wind zo’n beetje dwars op de bak, blijkt. De kant waar ik al snel één van de ritsen weer open zie gaan, gevolgd door een arm van Liam die ontspannen over de rand naar buiten leunt. Met zijn andere hand houdt hij de flap plastic omhoog die hem nog een beetje tegen de regen zou kunnen beschermen. Zijn hoofd steekt naar buiten. Ik roep naar hem dat hij zo wel erg nat wordt, maar hij hoort me niet door het getrommel van de regen op het canvas. Of heeft heel andere ideeën.

Wanneer we Elin en haar vriendin hebben afgezet, kan hij zonder protesten het plastic nog wat verder opengooien. Terwijl de regen in vlagen de bakfiets binnenwaait, zie ik hem tevreden voor zich uit kijken. Hij zingt er zelfs bij. Iets over de regen. Met mijn capuchon ver over mijn hoofd getrokken, versta ik niet wat precies.

Bij de klimhal aangekomen, vertel ik hem dat ik ondanks mijn regenkleding zeiknat geworden ben.
‘Aan de binnenkant?’, vraagt hij.
‘Ja, helaas.’
‘Dat is niet de bedoeling’, zegt hij, oprecht betrokken.
‘Nee’, zeg ik. ‘En jij?’
Hij strijkt wat druipende haren uit zijn ogen.
‘Ik vind regen leuk’, zegt hij.
Hij pakt zijn tas met klimspullen die naast hem op het bankje staat.
‘Gaan we?’, vraagt hij.