Kleren

Je zou zeggen dat er, ook at random uitgevoerd, een zekere kans moet bestaan om laarzen of schoenen met de goede links-rechtsverdeling aan te trekken. Maar als die statistische wetmatigheid al bestaat, weet kleindochter Sophie (4) daar gracieus omheen te zeilen. Steevast wanneer ik haar van school kom halen, zitten de lievelingslaarzen die ze dagelijks draagt verkeerd om aan haar voeten. Ze stapt er evengoed vrolijk op voort, van haar kant van het schoolplein naar die van haar grote broer en zus waar de bakfiets staat. Daar, op het bankje, doen we ons vaste ritueel van laarzen uit, merkjes laten zien (‘letters aan de buitenkant, zie je wel?’) en weer opnieuw aantrekken. Met tot nu toe als enig resultaat haar stellige overtuiging dat laarzen blijkbaar een goede en een verkeerde voet hebben, maar schoenen niet. Daar staan geen letters op.

Pas als we – om de lente te vieren – in het park hebben gespeeld en ze daarna thuis van de wc komt, zie ik dat er niet alleen bij haar laarzen maar ook bij haar broek op school iets niet goed is gegaan. Na de gym waarschijnlijk. De twee kontzakken van haar spijkerbroek zitten op haar buik, de rits hangt afgezakt tussen haar billen.
‘Je rits’, wijs ik.
Ze kijkt even naar beneden.
‘Ik heb geen rits’, constateert ze dan als iemand die het leven neemt zoals het komt.
‘Je hebt hem wel, maar hij zit achterop’, zeg ik.
‘Oh!’, lacht ze en wil meteen weer weglopen.
‘Zullen we je broek even omdraaien?’, vraag ik.
Daar krijg ik, waarschijnlijk vanwege twijfels over de zin van mijn voorstel, geen antwoord op.

Maar dan pakt ze toch haar broekband en probeert hem, wiebelend op één been, naar beneden te trekken. Wanneer dat niet erg wil, zet ze beide voeten weer op de grond en kijkt naar mij.
‘Kan het niet zo?’, vraagt ze terwijl ze met haar handen een vloeiende beweging van rechts naar links over haar buik maakt. ‘Swoesj…’
‘Eh… nee. Hij moet eerst uit.’
Ze kijkt alsof ze dat wel weet maar het zó graag een keertje anders zou willen hebben.
‘Helaas…’, zeg ik terwijl zij zijdelingse sprongetjes maakt om bij het afstropen van haar broek haar evenwicht te bewaren.

Het lukt. Zij lacht. Haar broek ligt in een blauw bergje aan haar voeten. Ze kijkt er even naar, peinzend denk ik hoe die dan op de goede manier aan zou moeten.
‘Ik leg hem hier wel even neer’, besluit ze dan.
En rent de kamer weer in.