Koud

Voor mij staat de Koude Oorlog, op zijn heftigst toen ik klein was, vooral voor de tranen van mijn grote broer. Hij wist niet hoe hij bruine bonen moest klaarmaken en ging er vanuit dat hij als oudste voor de vier die na hem kwamen zou moeten zorgen als de Russen kwamen.

Over het algemeen gingen we volgens mij redelijk nuchter om met de dreiging van een nucleaire aanval uit het oosten. Van de pamfletten met overlevingsinstructies die de overheid huis aan huis liet bezorgen, draaiden we blaaspijltjes voor ons schiettuig van afgezaagde elektriciteitsbuizen waarmee we op straat de strijd vast in het vooruit speelden. In de kelder stond het eveneens door de overheid verstrekte noodpakket klaar, geflankeerd door een bataljon bruine bonen dat ons met zijn zevenen de fall out door moest loodsen. Er waren moeders genoeg die voor hun kleinsten extra warme kleertjes breiden voor hun tocht over de bitterkoude Siberische vlaktes, voortgejaagd door het Rode Leger. Maar mijn moeder had nooit leren breien, dus zette ze nog wat potten bonen bij de verzameling met een schouderophaal van dit moet de truc maar doen. In het noodpakket zaten jodiumtabletten waar nu opnieuw een run op schijnt te zijn, maar ik kan me niet herinneren dat mijn ouders zelfs de bijsluiter maar hebben gelezen, laat staan ons hebben uitgelegd wat de bedoeling van die pillen was.

Het was vooral een wat ongemakkelijke mix van lacherig doen wat de overheid in alarmerende taal adviseerde en het verrichten van rituele handelingen om de eigen ongerustheid te temperen. Zoals de plechtige bijzetting van een nieuwe pot bruine bonen.

Maar niemand vertelde mijn broer hoe hij ze klaar moest maken. Ook niet na zijn huilbui vol wanhoop. Er werd gelachen, tot in lengte van jaren bij het herhalen van de anekdote. Moet je horen. Die kinderen toch. Met gierende uithalen.

Dat moeten we nu echt beter doen. De rest komt denk ik wel goed.