Tranen

Ik sta bij het hek van de school te wachten tot kleindochter Sophie (4) met haar klas de speelplaats op komt. Daar, op een kluitje, speuren kinderen én de juf voor wie er iemand paraat staat aan de andere kant van het hek. Die mag gaan.

Sophie ziet mij, zoals altijd, onmiddellijk. Ik zie haar keurig volgens de regels naar de juf lopen, naar het hek wijzen en iets zeggen. Opa, zie ik haar lippen bewegen. Maar de juf is druk met andere dingen, kijkt naar ergens in de verte ver over het kleine meisje daar aan haar knie heen. Die geeft niet op en heeft eindelijk de gevraagde aandacht. Ik zie de juf wijzen, vagelijk. Het kan naar de deur zijn waardoor ze net naar buiten zijn gekomen. Maar het kan ook naar de stapel tassen zijn die daarnaast ligt. Sophie denkt in elk geval dat ze de deur bedoelt en ik zie haar helemaal alleen de nu uitgestorven gang van de school weer binnenlopen. Haar tas, denk ik. Die gewoon buiten op de stapel ligt, ik herken vanaf waar ik achter het hek moet wachten de roze kleur en de uitstekende oren van de eenhoorn die op de voorkant is afgebeeld. Ik kan haar niet bereiken om het uit te leggen en mag vanwege de strikte coronaregels het hek niet in.

Wachten dus, het is niet anders.

Even later zie ik Sophie weer naar buiten komen. Ze kan nét aan bij de klink en moet haar hele lijfje tegen de deur aangooien om hem open te duwen. Zodra ze weer buiten is, rent ze naar mij. Haar onderlip trilt.
‘Ik ben mijn tas kwijt!’, roept ze al van een afstandje.
‘Op de stapel bij de deur’, roep ik terug en wijs haar de plek waar ze net vandaan komt.

Ze draait zich meteen om en rent daarheen. Ik zie haar van de achterkant. Voorovergebogen over de stapel tassen. Twee handen die om beurten een woeste veegbeweging bij haar ogen maken. Eerst rechts, dan links, dan nog een keer overnieuw. Ze wil geen tranen maar heeft ze toch.

Dan ziet ze haar tas. Ze pakt hem uit de stapel en draait zich om naar mij. Lachend.