Wolken

Buiten zie ik wolken. Scherp getekend tegen een blauwe achtergrond, ondanks hun pluizige substantie. Roerloos en machtig, maar tegelijk zacht en geruststellend. Eén kant tegen zwart aan. De andere kant zilverwit uitgelicht door de winterzon die aan het eind van een dag met stevige wind en kille buien toch nog tevoorschijn is gekomen.

Ik denk aan mijn moeder, van wie we altijd moesten zoeken naar een blauw matrozenhemd. Kon je er een tussen de wolken uitknippen, dan kwam het die dag helemaal goed. Urenlang tuurden we met vijf kinderen op een rij vanonder onze tentluifel naar het regengordijn met nog vaag zichtbaar daarachter de Ourte of de Sûre of aan welke kolkende watermassa in de Ardennen we ook kampeerden. De lucht één grote vlek van grijze lange onderbroeken. Alleen mijn moeder zag er altijd een vrolijk blauw matrozenhemd tussen en schudde de poncho’s vast uit voor een stevige boswandeling.

Ze hield van het weer, ongeacht het type. Dat zal ook de reden zijn geweest dat ze op latere leeftijd voor haar dood een aantal praktische zaken – koffie drinken ze maar thuis hoor – had geregeld voor bij haar afscheid, maar vooral met zorg de plek had uitgekozen waar ze haar sterfbed wilde hebben. Pal achter het huiskamerraam, met uitzicht op de lucht. Dat is gelukt.

Ik denk ook regelmatig over doodgaan. Logisch want dat is in de komende pakweg vijftien jaar aanstaande en gezien de snelheid waarmee de weken me door de vingers lopen is dat dus gevoelsmatig deze maand zo’n beetje. Soms dan. En dan bedenk ik dat ik ook graag bij het raam wil. Kijken naar de lucht.

Daar zie ik in de wolken twee mensen die elkaar met getuite lippen voorzichtig kussen. Een subtiel schijfje maan is te vroeg. Het is nog niet donker. Wat de poolster – ja écht jongen – had kunnen wezen, blijkt een vliegtuig dat traag binnenglijdt en achter de volgende wolk weer verdwijnt.

Maar dat geeft niet. Ik zie een matrozenhemd. Wel twee. In een schoongeblazen lucht.