Denken

Kleindochter Elin (6) is met haar zusje Sophie (4) een dagje bij opa en oma logeren zonder slapen. Een door hen zelf ontworpen compromis tussen de opwinding van overleven bij andere beelden, geuren en geluiden en de schrik van de donkere nacht in een bed dat niet van jou is.

Onderweg en in ons huis hoor en zie ik haar vooral druk bezig met organiseren hoe ze de dingen wil hebben en aan wie het maar horen wil uitleggen wat ze allemaal al kan en weet. Dat er op de poster in het bushokje b-i-l-l-e-n-d-o-e-k-j-e-s staat bijvoorbeeld. Gewoon de letters hakken en plakken, opa. En dat ze – met lange uithalen schallend door de treincoupé – zowel met vijf- als met tientallen al tot hóóónderd kan tellen. Met één tegelijk kan ze het ook, maar dat bewaren we voor een ander keertje.

Tussen al die wetenswaardigheden door ritselt en regelt ze het voortbestaan in harmonie van haar en haar zusje in den vreemde. Welke plek in de trein het beste is om allebei naar buiten te kunnen kijken. Wie het eerst op het knopje van de lift mag drukken en wie daarna. Welke deur – déééze! – van opa en oma is. En eenmaal binnen welke speelgoedkisten uit de grote kast met leuke dingen naar de huiskamer moeten. Ik draag ze, opa! Natuurlijk. Hijgend en steunend, met drie op een stapel waar haar ogen nog maar net aan overheen reiken.

Maar als we ’s middags de zware houten deur openduwen van de Maria van Jessekerk om naar de grote kerststal te gaan kijken, valt ze, rondkijkend naar de rood en blauw opgloeiende afbeeldingen in de gebrandschilderde ramen en de elkaar omkringelende bloemmotieven daar hemelshoog in het dakgewelf, opeens helemaal stil. Ze pakt mijn hand en samen lopen we tussen de kerkbanken door naar het altaar en de kerststal. Boven ons, langs de pilaren, de heiligenbeelden met twee vingers opgeheven, vermanend of zegenend, dat weet ik nog steeds niet. Overal om ons heen Jezus, van baby op de arm van zijn moeder tot in gebogen aanvaarding van zijn lot.

Elin kijkt en fluistert alleen nog maar een enkele vraag. Wat dóen mensen hier, bij de lange rijen zitplaatsen en de rode vilten kussentjes om op te knielen. Wat is er dáár aan de hand opa, bij een schilderij van Jezus na de kruisafname op zijn lijkwade in een bezorgd kijkende kring van apostelen en zijn moeder. En of engelen, ruim vertegenwoordigd in de stal en de rest van de kerk, een soort elven zijn. Of in ieder geval eígenlijk dan.

Eenmaal terug in haar eigen huis, hoor ik later, slaat ze de reis, het spelen en het eten over en vertelt ze direct over haar bezoek aan de kerk. De gekleurde ramen, de beelden en de schilderijen. Maar vooral dat ze er zo aan andere mensen moest denken. Aan haar papa. Aan haar mama. En aan David. Haar vriendje van twee deuren verder bij haar in de straat.