Evenwicht

Ik had het op de heenweg al gezien. Reclamevlaggen die zich uitrekten onder de kracht van de wind, vanuit het noordwesten straf aanblazend over grijs water en onbeschut polderland. De koorden om ze op te hijsen, tikten tegen de masten het signaal beter binnen blijven.

Kleinzoon Liam (8) en ik fietsten met de wind in ons rug naar zijn laatste aikidoles om zijn sensei en medeleerlingen zijn besluit te melden. Stoppen met de lessen en zijn tijd besteden aan boulderen en klimmen wat hij al een tijd lang met veel gevoel en plezier doet. Knoop doorgehakt, maar de moed om dat te vertellen, zakt hem zo diep in de schoenen dat hij voor de deur van de dojo verstart, door de ramen gluurt en vraagt of we niet gewoon ongezien weer weg kunnen fietsen. Dat kan. Maar in plaats daarvan loopt hij toch naar binnen en vertelt de groep over klimmen tot wel zeventien meter hoog.

Met de geoogste bewondering in de benen, stappen we daarna terug op de fiets. Het beloofde droge lijntje van de buienradar is in de korte tijd dat we binnen waren, veranderd in een blauwe bergkam die ons met kracht in het gezicht slaat. Hagel. Of anders iets dat er veel op lijkt, besluiten we. We doen allebei onze capuchon zo ver over ons hoofd dat er alleen een klein cirkeltje buitenwereld overblijft. Met de priknaalden van de hagel in ons voorhoofd fietsen we het bedrijventerrein van de sportschool af en draaien met de wind nu pal tegen de Noordendijk op. Een plek die voelt zoals hij klinkt. De stormsignalen van de vlaggenmasten verdwijnen in het geroffel op onze capuchons. Regenbroek vergeten, bedenk ik.
‘Heb jij geen regenbroek?’, roep ik naar Liam.
Hij schudt van nee.
‘En handschoenen?’
‘Hoeft niet!’
Ik begrijp hem meer dan ik hem hoor.

Waar het fietspad langs het talud van de dijk verder omhoog klimt, moeten we allebei op de trappers staan om met slingerend voorwiel de top te halen. Wanneer Liam daarbij stil dreigt te vallen tegen de harde hand van windkracht acht, geef ik hem een duwtje in de rug zodat hij heel even ondersteund vooruit kan. Hij maakt er direct gebruik van voor een eindspurtje naar de kruin van de dijk. Daar aangekomen maakt hij een scherpe bocht naar onze oversteekplaats. Op dat moment pakt de wind hem vol in de flank en duwt hem richting asfalt. Even zie ik hem al gaan, maar dan komt zijn fiets weer recht en remt hij strak voor de haaientanden aan de rand van de autoweg.

Wanneer ik hem heb ingehaald, zie ik in het rondje van zijn capuchon twee brillenglazen vol mist en regendruppels. Daaronder een brede lach.
‘Dat heb ik met klimmen geleerd’, roept hij naar mij.
‘Wat?’, schreeuw ik tegen de wind in.
‘Evenwicht!’, zegt hij. ‘Met mijn lichaam.’
Hij helt vanuit zijn heupen nog even opzij tegen de wind in, om te laten zien welke souplesse hij in de vingers heeft.
‘Anders lag ik nu op de grond.’

Met hernieuwde kracht steekt hij de dijk over en rijdt naar beneden de straat in waar hij woont. Daar zet hij in de onverminderd neerdalende ijsregen rustig zijn fiets op slot, zeilt zijn jas richting kapstok, schopt al lopend zijn schoenen uit en ploft op de bank met een zijdelingse greep naar zijn tablet. Verder met het spelletje waar hij mee bezig was.

‘Droge broek?’, vraag ik.
Even stil.
‘Neuh…’, zegt hij dan, met zijn ogen op het beeldscherm. ‘Niet nodig.’