Vriendelijk

Waar wij wonen, recht tegenover het station, zijn we wel gewend aan figuren die ronddolen in een wereld die weinig anderen delen. God op aarde, zwaaiend met een rietpluim als Jezus op Palmpasen. De boze man die met maaiende armen en kreten van afschuw zijn waarnemingen evalueert. De zwetende reiziger die dag in dag uit twee loodzware koffers op onderuitgezakte wieltjes over de klinkers stuitert.

Evengoed kijk ik met verbazing naar de nieuwe man die sinds kort onder ons raam op een bankje zit. Of ligt als het zo uitkomt. Klein rolkoffertje naast zich, met daarin een kussen dat hij gebruikt als armleuning of om zijn hoofd op te leggen. Dat verwondert nog niet echt, maar wel zijn eet- en drinkgewoontes die de bekende aanblik van peukenrapers en scharrelaars in restanten patat en broodjes flink overstijgt. Deze man zoekt niet naar iets bruikbaars, maar eet en drinkt zonder enige vorm van reflectie direct uit de prullenbak. Als een gezworen liefhebber die zichzelf te buiten gaat bij het oesterbanket. Hij graait met zijn vingers naar afgekloven pizzakorsten, bodempjes red bull, overgeschoten stukjes patat en weggemikte klokhuizen en duwt die zonder beoordeling rechtstreeks zijn mond in. De overgebleven bakjes, flesjes en blikjes slingert hij tijdens dit naar binnen harken van voedsel met woeste gebaren in een wijde cirkel om zich heen. Klaar met een afvalbak en lopend naar de volgende, krabt hij stukken kauwgom van de grond en steekt die – ook dat zonder enig gedachtemoment – in zijn mond.

Verbazing dus. Verbijstering liever. Maar vervolgens ook boosheid toen meerdere buren ontdekten dat hij een stukje verloren ruimte naast ons gebouw dagelijks als toilet gebruikt. Compleet met stukken wc-papier vol gebruikssporen, een – met reden – afgedankte onderbroek, en een indrukwekkend smurfendorp van gedeponeerde uitwerpselen.

Politie inschakelen. Dat kan, maar het effect reikt meestal niet verder dan een blokje omlopen tot de agenten weer zijn vertrokken. Dus kies ik maar eens voor een andere vorm van sociale bijsturing en spreek hem aan op zijn vaste uitrustplek voor de deur. Vooraf heb ik ons stukje stad uit Google Maps geprint en er met grote balpenkruizen het station en twee locaties voor daklozenopvang in de buurt op aangegeven met als ondertitel ‘WC’.

Mijn lijf trilt een beetje als ik op hem afloop. De beelden van zijn fourageergewoontes spelen op, denk ik.
‘Spreek je Nederlands?’, vraag ik als ik voor hem sta.
Hij schudt zijn hoofd. In zijn gezicht zie ik grote, bruine vlekken. Misschien van de zon. Zijn haren zijn vettig, krullend en lang niet geknipt.
‘Polskie’, zegt hij. En lacht.
‘English?’, probeer ik.
Hij schudt weer met zijn hoofd.
‘Polskie.’
En lacht opnieuw.

Ik nu ook, terwijl ik hem met een paar Engelse woorden en wat gebaren de plattegrond en mijn bedoeling uitleg.
‘Toilet there and there and there… Not in the street.’
Hij bestudeert de kaart, wijst met een nagel die raspt van ouderdom op de aangekruiste locaties. En knikt.

In mijn zak heb ik drie euro klaar. Ik geef ze hem.
‘Coffee’, zeg ik en maak een drinkgebaar.
Hij kijkt me aan. En lacht weer. Met heldere, vriendelijke ogen.

Daarna weten we allebei even niet zo goed hoe verder.

Ik steek mijn hand op als afscheid. Hij bestudeert nog een keer mijn printje, vouwt het in vieren en houdt het, voor hij het in zijn jaszak stopt, even demonstratief in de lucht. Bij wijze van ontvangstbevestiging.