Rondleiding

Het wordt wat kouder dus heb ik warme sloffen meegenomen voor mijn opadag. Bij de aanblik van mijn zachte slippers met lekker pluizige voering, gaat kleindochter Sophie (4) een blij licht op.
‘Ik heb ook sloffen!’
Er staat een eenhoorn op, weet ze nog precies. En ze zijn roze.
‘Maar ze zijn kwijt’, zegt ze terwijl haar schoudertjes wat naar beneden zakken.
‘En mijn ouders willen niet zoeken.’
Ze tilt twee handjes op, in een gebaar dat zowel wanhoop als berusting kan beduiden.
‘Zullen we samen rondkijken?’, stel ik voor.

Meteen loopt ze naar de kamerdeur en houdt die voor me open.
‘Daar is de trap’, wijst ze. ‘Ik ga wel eerst.’

Wanneer we naar boven lopen, houdt ze telkens even in om te zorgen dat ik haar strak blijf volgen.
‘Kijk, hier is het lichtknopje’, zegt ze met een overvloed aan pedagogisch geduld in haar stem.
‘Dat doe ik wel even voor je.’
Ze klikt het licht op de overloop en daarna in haar slaapkamer aan, waar ze me als een volstrekt blanco bezoeker uitlegt in welk bed ze slaapt en waar haar kleertjes liggen. Ik til bij wijze van zoekpoging hier en daar een stapeltje op en samen kruipen we op handen en knieën om onder bed en kasten te gluren. Helaas.

‘Dan gaan we nu naar boven’, kondigt ze daarom al snel aan.
Opnieuw volg ik haar en controleert ze met korte blikken over haar schouder of ik niet stiekem afhaak. Eenmaal boven toont ze me het grote bed van ‘mijn ouders’, waar ze volgens haar best met zijn vijven tegelijk in passen. Maar ja… Opnieuw met enige berusting.

‘En hier is de werkkamer’, neemt ze me vervolgens plechtig bij de hand. ‘Wacht hier maar even.’
Ze loopt voor me uit, kruipt op de grote draaistoel en zet zich geroutineerd af richting toetsenbord, muis en twee beeldschermen op het bureau.
‘Zoooo…’, maakt ze organiserende geluiden tegen zichzelf terwijl ze vol ijver letters op het toetsenbord aanslaat. ‘Zooo en zo en zo…’

Ik kijk voor de vorm nog wat rond naar twee roze eenhoorns met binnenvachtje.
‘Zullen we weer naar beneden gaan?’, vraag ik haar, wanneer de zoektocht ook hier vergeefs blijkt.
In plaats van antwoord te geven, tikt ze druk door en kijkt geconcentreerd naar een zwart beeldscherm.
‘Sophie?’, vraag ik.
‘Huhummm…’, doet ze, als iemand die belangrijkere dingen aan haar hoofd heeft.
‘Sophie?’, probeer ik nog een keer.
Ze kijkt even snel opzij, een frons van opkruipend ongeduld tussen haar ogen.
‘Ik kom heus wel,’ zucht ze. ‘Maar ik moet écht nog even dit doen…’
Ze veegt nu met een fanatiek vingergebaar diverse keren over het wieltje van de muis die op het bureau ligt, haar ogen strak op het beeldscherm.
‘En dan nog deze letter…’
Met haar vingers in zweefvlucht erboven, speurt ze het toetsenbord af.
‘Ja!’, zegt ze en geeft een stevige tik op de letter E.
Dan draait ze zich met een zwier naar mij toe.
‘Zie je nou wel?’, vraagt ze. ‘Al klaar!’

Ze laat zich van de bureaustoel glijden, loopt richting trap en duwt mij in het voorbijgaan zachtjes opzij.
‘Laat mij maar even…’