Ongeluk

We komen thuis uit school. De kinderen verspreiden hun jassen, schoenen en zichzelf door de gang en de huiskamer. Ik loop nog een keer op en neer naar de bakfiets om wat tassen op te halen, als ik van boven kleindochter Sophie (4) hoor roepen. Huilen, liever gezegd.

‘Opa, help!’
Ik laat de tassen achter in de gang en loop naar boven om te kijken wat er is.
‘Er is een ongeluk gebeurd!’, roept ze als ze mij de trap op hoort komen.
Wanneer ik boven ben, zie ik haar middenin de badkamer staan. Broek op haar knieën, aan haar voeten een flinke plas.
‘Och meissie toch’, zeg ik, ‘dat kan gebeuren hoor.’
Ondertussen trekt ze met twee handen aan haar natte broek, in de hoop hem van haar benen af te stropen. Dat lukt niet. Te nat.

We doen het samen. Eerst de drijfnatte sokken uit.
‘Zooo… ene been…’
‘Liam zat beneden op de wc’, zegt ze terwijl ze met een wiebelig handje op mijn schouder steunt om haar evenwicht te bewaren.
‘Ai’, zeg ik.
‘En hier was het deksel dicht’, wijst ze op de klep van de wc.
‘En toen ging het mis’, vul ik haar verhaal aan. ‘Geeft niks hoor.’

Maar dat ziet zij toch anders.
‘Het was zo véél’, zegt ze met de tranen nog in haar stem.
‘We gaan het zo opdweilen’, zeg ik, ‘eerst maar even dit uit en droge spullen aan.’

Ze knikt en kijkt naar de inderdaad behoorlijke plas die naast haar voeten op de tegels ligt.
‘Het lijkt wel een rivíer…’, zegt ze zachtjes voor zich uit.

Met haar ogen strak op de natte plek, doet ze voorzichtig een stapje verder achteruit.