Gesprek

‘Knuffels heb ik nog wel, maar die gebruik ik niet meer.’
Met deze woorden, een scheef lachje en een handgebaar richting zijn nauwelijks gevulde rugzak legt kleinzoon Liam (8) uit waarom hij vandaag de dag zo licht bepakt kan komen logeren. Een setje schone kleren, dat hij direct netjes klaarlegt op het tafeltje naast zijn bed. Zijn tandenborstel, tandpasta en haarborstel (‘mogen die vast in de badkamer?’). En, strak naast zijn kussen, zijn leesboek Kapitein onderbroek met een stevig stuk gekleurd papier om aan te geven waar hij gebleven is. Dat volstaat. Voor vermaak is er mijn oude telefoon met spelletjes erop en met een appie voor zijn luisterboek Dummie de mummie, inclusief timer om de voorleesstem als slaaphulp te gebruiken.

Verder is het vooral veel kletsen.

Over de zwerver die hij een dag eerder op straat zag en die, als hij slim was, vrienden met een bankdirecteur zou moeten worden. Dan zorgt die wel dat het goed komt.

Een grondhouding die zijn wereldbeeld wel ruimer inkleurt, merk ik. Zoals bij virussen die, anders dan wat mensen denken, het helemaal niet kwaad bedoelen. Dat hun aanwezigheid voor mensen toch zo beroerd uit kan pakken, heeft een simpele verklaring.
‘Ze willen ons wel helpen, maar ze hebben geen hersenen dus daarom weten ze niet hoe.’
Een vorm van omdenken die wat hem betreft ook geldt voor gemeenbijtende kwallen. Al blijft het daar – voor ons allebei trouwens – een mysterie hoe die niet alleen zonder hersenen, maar ook zonder botten en zonder hart kunnen bestaan. Sterker: ze leven veel langer dan een mens, weet hij.

‘Terwijl onze hersenen altijd blijven groeien.’
‘Nou…?’, vraag ik me af.
Maar het moet wel, want er komen vanaf dag één telkens herinneringen bij. Dat ze ook weer verdwijnen, mag dan bij mij het geval zijn. Hij kan alles nog navertellen, inclusief de dialogen tussen de dokter en zijn ouders op de dag van zijn bevalling. En doet dat ook. Net als trouwens zijn eigen eurekamoment, kortgeleden nog, over de evolutiestap die leidde tot apen én mensen. Overtuigend in al zijn eenvoud: een verre voorouder die geen aap en ook geen mens was, kreeg een tweeling.
‘Een aap en een mens?’, probeer ik.
‘Ja en die plantten zich allebei voort en die plantten zich weer voort en die weer en die weer. Tot nu.’

‘Hebben jullie vandaag nog leuke dingen gedaan?’ vraagt oma als we later die dag aan tafel zitten.
‘Ja!’, reageert Liam direct en met een tevreden glimlach.
‘Wat dan?’
‘We hebben een goed gesprek gevoerd.’
‘Oh?’, wil ze weten. ‘Waarover?’
‘Over kwallen’, vertelt hij, meteen terug waar hij gebleven was. ‘Weet jíj hoe die kunnen leven zonder hart en zonder botten?’