Later

‘Wat wil je later worden?’, is het thema van de kinderboekenweek dit jaar. De juffen en meesters doen mee en komen verkleed op school. Als postbode, brandweer, kunstenaar…

‘En als prinses’, vertelt kleindochter Elin (6) wanneer we thuis aan de boterham zitten.
‘Kun je dat worden dan?’, vraag ik.
Haar schoolvriendin die is meegekomen om te spelen, knikt in haar plaats.
‘En ik word later Mario’, kiest zij meteen haar eigen held. ‘Of kapper’, voegt ze er in dezelfde adem aan toe.

‘En jij?’ vraag ik aan Elin.
‘Moeder’, zegt ze.
Nadenken is niet nodig.
‘Want ik ben dol op kleine kinderen.’
‘Hoeveel kinderen neem je dan?’, wil ik nog graag weten.
Ook daarover is haar denkwerk gedaan en afgerond.
‘Eén’, zegt ze. ‘Of twee.’
Een reden heeft ze ook.
‘Want dan is er niemand de middelste.’
Haar eigen positie in het gezin.

‘Is dat niet leuk?, vraag ik haar even later. ‘De middelste zijn?’
Ze schudt meteen haar hoofd.
‘Nee. Mijn ouders hebben het wel uitgelegd hoe het kwam, maar ik heb het toch liever niet…’

Ze zet het voor zichzelf met peinzende blik nog even op een rijtje en legt me dan uit hoe het zit.
‘Met een middelste zijn er altijd twee aan het spelen en dan gaat de andere het opfokken…’, beschrijft ze de toekomst die ze voor zich ziet. En hakt dan een al eerder ontwarde knoop nogmaals door.
‘Dat wil ik niet bij mijn kinderen!’
Ze maakt een gebaar met twee handen voor zich uit en haar hoofd een beetje schuin. Vriendelijk maar kordaat. Zoals een juf voor de klas die de wereld ook niet leuker kan maken dan hij is.

Naast haar smeert haar vriendinnetje een boterham met pindakaas.
‘Je kan er ook vier nemen’, zegt ze terwijl ze met duim en wijsvinger de restjes op het mes naar boven schuift.

Elin knikt.
‘Dan heb je geen middelste…’, volgt ze de redenering.
Het klinkt nog weinig overtuigd.