Wennen

Ik loop met kleindochter Sophie (op een haar na 4) richting de bus om haar naar huis te brengen na een oefenochtend op de grote school. Het is stil rond het gebouw, de andere kinderen moeten nog een paar uur. Zodra Sophie mij het lokaal zag binnenkomen, duwde ze het restje van de boterham die ze met de klas zat te eten in haar broodtrommeltje en rende naar me toe. Niet van ‘weg hier’, maar toch. Klaar is klaar, vermoed ik.

‘Hoe was het?’, vraag ik eenmaal buiten.
‘Leuk!’, zegt ze direct. ‘Ik heb het gered zonder huilen.’
‘Wat goed, meid.’
‘De babyschool heeft mama bij de vuilnis gegooid’, knikt ze tevreden. ‘Daar moest ik de hele dag heen en dat vond ik zoooo saai…’
‘En fijn bij Liam en Elin?’, vraag ik.
Ik zie een trots lachje om haar lippen.
‘Die zitten boven’, zegt ze, duidelijk tevreden dat ze daar nu bij hoort, ‘ik weet alleen nog niet waar de trap is…’

In het park op weg naar de bus gaan we naar de speeltuin. Koekje eten, van de hoge glijbaan en even bij de dieren van de kinderboerderij kijken. Met een borstel die daar speciaal voor klaar ligt, strijkt ze met dromerige uithalen de vacht van de geitjes één voor één zacht en glad.
‘Wat ik niet zo leuk vind aan de school waar ik vandaag was…’, komt ze dan toch nog even op haar ervaringen terug, ‘…is dat we niet mogen kletsen als we eten. Alleen als we knutselen. Dat is wel lastig…’
Ze loopt naar de volgende geit. Die trilt even met zijn vel, voor hij zich ontspant onder haar borstelhalen.
‘En…’, legt ze haar volgende brokje in de weegschaal, ‘we moeten alles doen wat de juf zegt…’
Peinzend borstelt ze verder.
‘Zo werkt dat in mijn school…’

Ze aait de geit ook nog even met de hand en legt de borstel dan terug in de houten bak bij de ingang.
‘Gaan we?’, vraag ik.
Ze knikt.
‘Zal ik je schooltas dragen?’
‘Nee. Zelf doen!’, besluit ze.

Ze loopt een stukje voor me uit. Een grote tas met een klein meisje.
‘We moeten nog wel de bus gaan vinden, opa!’, roept ze naar me.