Verstaan (2)

Kleinzoon Jonas (6) benadert de taalbarrière met opa en oma heel anders. Toen hij destijds begon met praten, was zijn Nederlands accentloos. Beter dan zijn Noors, dat hij alleen van de crèche kende. Thuis sprak hij Nederlands en dus ook met mij. Tot hij enkele jaren geleden zelf liet weten dat hij een keuze had gemaakt: ‘Jeg er Norsk’. Ik ben Noors, op zangerige toon uitgesproken. Sindsdien verstaat hij nog steeds vrijwel alles in het Nederlands, maar is spreken voor hem een groeiende worsteling met zinsvolgorde, klanken en verdwenen woorden. Hij stompt zichzelf er regelmatig uit frustratie bij tegen het hoofd, maar blijft bij het bezoek uit Nederland in traag rondtastende zinnen zoeken naar de klank van zijn gedachten in de taal van zijn papa.

Zo ook op onze boswandeling met het hele gezin, waar hij vooruit rent om een plek met een bankje te vinden. De grote mensen willen zitten, heeft hij opgepikt. En hij kent in dit bos elk paadje. Met zijn klas maakt hij er iedere week, op zijn Noors volstrekt onafhankelijk van de weersgesteldheid, een tur.

‘Ik heb een huis gevonden!’, komt hij met zijn armen in de lucht de heuvel af die hij eerder al had aangewezen als plek waar hij onze problemen kon oplossen.
‘Met een bank!’, roept hij dan ook trots.

Eenmaal daar gearriveerd en met de rugzakjes al aan de ellenboog om eten en drinken te pakken, blijkt het gevonden huis vooral een bron van mogelijkheden. Feitelijk een stukje gras en mos met wat brokken steen en stukken boomstam op de top van de heuvel.
‘Hoe máák je een deur, opá?’, roept Jonas – met de klemtonen op zijn Noors – als ik rondkijk naar wat hij ziet.
‘Een grote plank?’, opper ik. ‘En dan balkjes van hout en de plank er tegenaan schroeven.’
Hij knikt, terwijl we samen naar een opening tussen twee grote stenen kijken die hij blijkbaar voor dit doel heeft bestemd.
‘Hier kun je zítten’, wijst hij met uitgestrekt armen een grote plek na zijn deur to be aan.
‘Ah, de huiskamer’, begrijp ik.
Hij kijkt me even aan.
‘Nee’, besluit hij dan, ‘de kíjkkamer.’
‘Oh?’
‘Voor televisie, switch en iPád’, specificeert hij.
‘En hier’, loopt hij verder de kale plek op, ‘de eetkamer… En hier de…’
‘Slaapkamer?’, probeer ik.
‘Nee,’ besluit hij zonder erover te hoeven nadenken. ‘Dit wordt een huis om…’, hij schudt zijn hoofd om de goede woorden los te krijgen.. ‘om dingen te doen.’
‘Ah,’ begrijp ik. ‘Niet slapen dus.’
‘Nee’, zegt hij, opgelucht dat hij het blijkbaar goed heeft uitgelegd.

Dan loopt hij met grote stappen verder rond, mompelend wat er allemaal nog moet gebeuren.
‘Ik héb veel… schroeven nodíg. En takkén, opá.’
Ik kom naar hem toe.
‘Hier maak ik het dak met schroeven, zozozo’, hij doet het even voor in lucht. ‘En daar de vloer ook met schroeven zozozo…’
Hij maakt ondertussen de geluiden van een accuschroefmachine en loopt met kordate ontwerperspassen zijn project rond. Plannen en toelichtingen buitelen al snel over elkaar. Eerst in voetje-voor-voetje Nederlands, maar geleidelijk over in rap Noors. De strekking komt evengoed wel door. Net als het besluit waarmee hij de planfase afrond.
‘Zó ik wil het!’

Na het eten, in afwachting van de realisatie nog maar even gewoon op bemoste stenen en een boomstam, lopen we samen de heuvel af. Jonas wil een hand.
‘Thuis ga ik het op papier schrijven’, zegt hij.
Tevreden over dit voornemen kijkt hij voor zich uit.
‘Ik hoú van…’, zegt hij dan op zoekende toon, ‘…dingen makén.’
‘Hartstikke goed, jongen’, zeg ik.

Hij laat mijn hand los en huppelt voor me uit het bospad op. Naar huis. Het plan dat rondjes draait in zijn hoofd laten neerdalen in woorden, pijlen en gekraste aanwijzingen aan zichzelf.