Verstaan

Voor het eerst na ruim anderhalf jaar corona-onthouding ben ik samen met mijn vrouw in Oslo bij de kleinkinderen daar. Ze zijn, hoe kan het ook anders, nog veel groter gegroeid dan ik met de skypecontacten op mijn telefoonschermpje had zien aankomen. In centimeters uiteraard, maar vooral bij kleinzoon Jonas (6) valt me op hoe niet alleen kennis en vaardigheden zijn hoofd bijna letterlijk groter hebben gemaakt, maar ook bezorgdheid op zijn schoudertjes lijkt geland en een onderzoekende blik in de onbevangen schittering van zijn ogen is geslopen. Echt groter dus. Bij kleinzoon Julian (3) heeft zich vooral een explosie van kunnen en willen voltrokken, van een brabbelende peuter met een speen en wankele beentjes tot anderhalf jaar later een bijna-kleuter met zijn handjes in zijn zij en een Noorse spraakwaterval om voor hemzelf en wie maar mee wil denken de wereld in te delen en te duiden. Lastig dus, want ons Noors beperkt zich tot tusen takk en ha det bra. Hij verstaat Nederlands van zijn vader, maar spreken doet hij het niet of nauwelijks.

Geen probleem, blijkt, want Julian hoort en praat over taalgrenzen heen. Door dingen simpelweg onmiddellijk na te zeggen bijvoorbeeld.
‘Zooo hé’, roept hij dus al snel als hij het laatste stukje van zijn puzzel op zijn plek duwt. En ‘Toppie!’ als zijn bonusoma vraagt of hij mee wil naar het speeltuintje op de hoek.

Daar bouwt hij samen met haar in stroken zand een keurige bomenaanplant van onderweg gevonden dennenappels.
‘Moette doar!’, wijst hij telkens hoe hij het hebben wil.
‘Precies’, zegt oma.
‘Precies’, zegt er Julian meteen achteraan.
‘Oeps’, zegt oma als er eentje in de rij omvalt.
‘Oeps, zegt Julian en zet hem zorgvuldig weer recht.
‘Op zijn kontje.’
‘Op zijn kontje.’

Uiteindelijk heeft hij vier rijen dennenappels strak in het gelid in het zand staan. Opa en oma kijken er naar, Julian loopt ondertussen speurend de speelplek rond. Hij legt ons met brede armgebaren van alles uit. Wat, ontgaat ons grotendeels, behalve dat hij dringend iets te regelen heeft.
‘Moete zoekú’, roept hij een paar keer in Noors-Nederlands om het contact met ons te onderhouden.
Even later legt hij een takje op de tafel met de bomenopstelling, maar hij schudt zelf al zijn hoofd. Niet goed, begrijpen we.
‘Stor…’, mompelt hij.
‘Stor’, zeggen wij.
‘Groot?’, gok ik.

Hij komt inderdaad terug met een flink wat grotere tak, achteloos slingerend in zijn hand.
‘Stóóór!’, zegt hij en zet grote ogen op om zijn bedoeling te demonstreren.
Wij knikken.
‘Stór!’
Hij klimt ondertussen via de schoot van oma bovenop de picknicktafel met zijn bouwproject, gaat daar op zijn knietjes zitten, tilt de stevige tak hoog boven zijn hoofd, haalt nog even diep adem, kijkt snel rond of we hem wel volgen, laat zijn knuppel dan met een vernietigende klap middenin zijn dennenplantage neerkomen en roept iets heel erg Noors.

We verstaan niet wat. Absoluut niet nodig ook.