Besluiten

Het is vakantie en dus wil kleindochter Elin (6) bij opa en oma logeren. Alhoewel. Ze denkt er eerst zorgvuldig over na, in de vorm van stil voor zich uit staren, of ze wil logeren met slapen of zonder slapen. Mét slapen, besluit ze dan.
‘Ik heb het een keer gedurfd. Dus wil ik het nu weer, anders durf ik straks niet meer’, vat ze haar afwegingen samen.

Met haar roze-prinsessen-schooltas op haar rug, stappen we niet lang daarna bij haar de straat uit en maken we samen de treinreis naar Delft voor het afgesproken dagje. Direct na aankomst legt ze haar knuffels klaar in het logeerbed, in twee nette rijtjes links en rechts van haar kussen. Op het tafeltje ernaast vouwt ze één voor één haar kleren voor de volgende dag op een keurig stapeltje. Tandenborstel met haar eigen tandpasta in de aanslag op het plankje in de badkamer.
Ze kijkt keurend rond.
‘Alles in orde?’, vraag ik.
Ze knikt.

Daarna lijkt het onderwerp slapen even geparkeerd. We gaan naar de waterspeeltuin. Er is een bakje komkommerschijfjes én een bakje met chippies tijdens het kijken naar Huize Herrie. We eten pizza (‘dat is mijn lievelingseten!’). En hup je vraagt het en dan is er nog een toetje ook (‘ik wist niet eens dat slagroomijs bestond!’).

Maar uiteindelijk wordt het toch echt bedtijd.
‘Mag ik eerst door de gangen rennen?’, vraagt ze na mijn aankondiging, een beetje zoekend naar de beste aanpak. ‘Dan kan ik, denk ik, makkelijker in slaap komen.’

Moe ligt ze na een flink aantal rondjes spurten op hoge snelheid door de gezamenlijke gangen in ons gebouw op haar bed. Tanden zijn gepoetst. De ruimschoots aanwezige nachtverlichting heeft ze met een goedkeurend knikje geïnspecteerd. Uit Kasper wordt een kip hebben we niet één maar twee hoofdstukken gelezen. Liggend in een halo van ineengestrengelde knuffels nemen we samen de dag van morgen door, als een stilzwijgende overeenkomst om vast over de nacht heen te reiken.

En dan is er, niet te vermijden, het moment om de grote plafondlamp uit te doen. Vlak naast haar bed is een kleiner lampje dat de hele nacht aanblijft. Door de slaapkamerdeur die wagenwijd open blijft staan, schijnt het ganglicht. Evengoed.
‘Wordt het zó donker?’, roept ze verschrikt wanneer ik de schakelaar nog maar net heb omgeklikt.
‘We kunnen het grote licht nog even aanlaten tot je in slaap valt?’, stel ik voor.
Maar ze heeft haar besluit al met de flits van diezelfde lamp genomen.
‘Ik wil naar huis’, zegt ze.
‘Nog heel even over nadenken?’, stel ik voor.
Ze knikt. Gaat rechtop in haar bed zitten en kijkt, net als eerder bij de vraag over logeren, even stil voor zich uit.
‘Ik wil naar huis’, besluit ze dan. ‘Het is te lang geleden dat ik dit heb gedurfd…’
Het is geen verzuchting maar een constatering.

Ik knik en we bellen naar huis.
‘Papa komt er aan’, vertel ik haar even later. ‘Maar het duurt wel even voor hij hier is.’
‘Dat geeft niks’, zegt ze. ‘Dan kan ik ondertussen inpakken.’
Ze springt uit bed. Opgewekt.
‘Help je even?’, vraagt ze.