Winnen

De bakfiets is stuk, dus heb ik met kleindochters Sophie (3) en Elin (vrijwel 6) als vakantie-uitstapje de bus naar de stad genomen voor een bezoekje aan ons vaste limonade-met-cake-adres. Op de weg terug naar huis, lopen de meiden vanaf de bushalte (‘Hier weten we zelf de weg!’) een stukje voor me uit.
‘Tot de lantaarnpaal op de hoek!’, roep ik.
Daar staan ze keurig te wachten en in een hand-in-hand-sliertje steken we over naar het laatste stukje tot hun huis.

‘Mogen we hier rennen?’, vraagt Elin, met het handje van Sophie nog in de hare geklemd.
Er zijn geen oversteken meer, dus prima, en als ik knik stuiven ze er samen vandoor. Even maar, want al snel zie ik Elin uitlopen en Sophie er in afzakkend tempo met slappe beentjes achteraan. Schoudertjes naar beneden. Huilen.

Elin kijkt achterom en loopt terug naar haar kleine zus.
‘We rennen gewoon en dan win ik omdat ik harder ga’, legt ze mij de situatie uit wanneer ik ook bij ze ben gekomen.
Ik knik en kijk naar Sophie die met gebogen hoofd de droevige stand van zaken over zich heen laat komen.

Het laatste stukje lopen we met zijn drietjes naar huis, waar Sophie haar schoenen zonder om te kijken in de gang achter zich aan laat vallen en direct doorgaat naar de huiskamer. Daar ploft ze op de bank en laat haar armen met een moedeloos gebaar naast zich op de kussens landen.
‘Gaat het, Sophie?’, vraag ik.
‘Nee’, zegt ze.
Het is even stil.
‘Ik wil zo graag ook eens winnen’, zucht ze dan.

‘Met een spelletje misschien?’, probeer ik en wijs naar het bordspel dat nog op tafel ligt van eerder die ochtend.
‘Dat wint ze ook eigenlijk nooit’, zegt Elin op een toon van laten we nou met zijn allen wel even een beetje realistisch blijven.

Ik kijk naar Sophie. Die is inmiddels ruggelings op de bank onderuit gezakt. Beentjes vrijwel recht omhoog tegen de leuning. Ergens heeft ze haar blauwe knuffelkonijn gevonden, want dat houdt ze met twee handen dicht tegen haar gezicht geduwd. Met één vinger streelt ze in een afwezig gewoontegebaar de lange, slappe oren. Ondertussen staart ze naar het plafond. En kreunt zachtjes. Als een huilaanloopje zonder vervolg.