Dapper

‘Ik wil oefenen tot ik het kan!’
Kleindochter Elin – al een hele tijd ‘half zes’ in haar eigen woorden maar nu toch echt vrijwel klaar voor de grote sprong voorwaarts – bungelt in het speeltuintje om de hoek aan de eerste sport van tsja hoe heet zo’n ding. In mijn ogen doet het nog het meeste denken aan zo’n survivaluitdaging waar soldaten met een rood aangelopen sergeant ernaast sterk en stoer moeten worden. En dat is precies wat Elin ook wil.

Met twee handen vastgeklemd hangt ze aan de eerste van een rijtje licht schommelende metalen stangen. Haar armen op maximale lengte uitgerekt, wat het bijna ondoenlijk maakt om één hand los te laten en de volgende te pakken. En toch is dat wat moet. Om te beginnen, want daarna komen er nog vier.

Al een paar keer vergleed haar greep van het houvast van gebogen handen – knokkels wit van de spanning – naar het wanhoopsgrijpen van uitgerekte vingers. Haar handen langer en langer leek het wel en in elk geval gladder en gladder. En dan, met een kreet en een zucht, zwaait de eerste arm met verloren bestemming door de lucht. Even met de illusie dat alles nog goed kan komen, maar dan schiet ook de tweede hand los en landt ze met een plof op het kunstgras onder het toestel.

‘Nog een keer’, besluit ze en veegt met de rug van haar hand haren en zweet uit haar ogen. Het laat een vastberaden streep op haar voorhoofd achter.
‘Een beetje schommelen, dan gaat het misschien makkelijker?’, doe ik als afgekeurd voor militaire dienst een puur theoretisch gefundeerde suggestie.

Maar hij werkt en met een overwinningskreet slingert ze van het eerste naar het tweede stangetje dat ze met één hand stevig vastgrijpt.
‘En nu?’, roept ze.
Het antwoord weet ze al en probeert ze ook maar zodra ze de achtergebleven hand losdoet, tuimelt ze scheef, komt alle gewicht aan één arm te hangen en stort ze opnieuw de diepte in. Op haar ellenboog dit keer, wat direct een nare rode plek achterlaat.
‘Pijn?’, vraag ik.
Ze haalt dapper haar schouders op en probeert met gedraaide arm de schade in beeld te krijgen. Dat lukt net niet, waarop ze de rode plek naar mij toedraait.
‘Wil je een foto maken?’, vraagt ze.

Dat doe ik. Het resultaat laat ik haar zien op mijn telefoon. Aandachtig kijkt ze naar de plek, die er op de foto eerlijk gezegd best pijnlijk uitziet. Terwijl ze de rode schaafwonden op het schermpje zorgvuldig bestudeert, zie ik haar gezicht betrekken.
‘Schrik je er van?’, vraag ik.
‘Jaaaaa…’, zegt ze dan, met een plotselinge snik. Haar mondhoeken trekken nog wat verder naar beneden.
‘Ik wil naar huis.’

Dat doen we. Beetje purol op de wond en een filmpje voor de troost op haar tablet. Over Ariël, legt ze me uit. Zeemeermin én prinses.

Dat helpt.