Ik

Ik zag mezelf altijd als waaks. Alert. ’s Nachts nog regelmatig dromen dat mijn vader vergeten is de achterdeur op slot te doen en dat ik nu in mijn eentje de boeven moet tegenhouden. Dat soort dingen. Actief dus ook. Moeite met ontspannen kun je natuurlijk ook zeggen. Ik ken het concept inderdaad vooral van horen zeggen. Maar hé, elk voordeel… Dat bedoel ik. En overeind blijven lukt alleen met een verhaal dat je jezelf met een goedkeurend knikje in de spiegel kunt vertellen, dus in mijn geval is dat waaks, alert, actief, geïnteresseerd, attent misschien zelfs.

Tot ik sinds kort dagelijks 5 milligram levocetirizine slik. Een pilletje ter grootte van een nagelmaantje dat je gewoon bij de drogist kunt halen als je snottert van de pollen of in mijn geval na een nachtelijke overreactie van mijn immuunsysteem. Het bergt de noodvlag tijdelijk op.

Het werkt. En meer dan dat. Waar mijn nachten vroeger voor een belangrijk deel bestonden uit liggend verder denken en het prevelen van niet-vergeten-te-doen-lijstjes, houdt de wereld nadat ik het dekbed over me heen trek nu gewoon op te bestaan. Vernietigend natuurgeweld dat onze zonnepanelen op het dak in wanhoop doet wankelen? Het gebeurt, maar ik maak het niet mee. De studenten van de vereniging naast ons die brallend hun ramadan van kroegonthouding door corona beëindigen? Het ontgaat me volledig. Mijn vrouw die een deurtje verderop met een driekleurig juichshirt het Nederlands elftal naar de overwinning probeert te coachen? Het voltrekt zich in een andere werkelijkheid.

Rond half tien ’s avonds laat ik me in een tunnel zakken die pas tegen zeven uur de volgende morgen richting oppervlakte buigt. Waar ik enigszins afwezig mijn opwachting maak.

Met de grote vraag: wie ben ik nou eigenlijk?