Groeien

Kleindochter Sophie (3) is blij. Papa en mama hebben gelukkig geen T-shirt – het woord er bijna uitgespuugd – klaargelegd maar een jurk. En wat voor. De prinsessenzwierjurk die ooit van haar grote zus was.
‘Die heet Elin’, legt ze me nog maar even voor de zekerheid uit.

‘Zelf doen!’ Bij het aantrekken, uiteraard.
‘Kaartje aan de achterkant’, mompelt ze, op zoek naar de uitgang onder twee etages aangerimpelde jurkenstof.
Het is niet echt warm buiten, dus een legging wil ik er graag bij en eígenlijk ook wel een vestje… Maar daar trekt ze de grens.
‘Dat hoort niet.’
Met ronde blote schoudertjes onder de dunne bandjes van haar grotezussendroom kijkt ze me streng aan. Wacht. En knikt dan zakelijk bij mijn ‘nou vooruit dan maar’.

Ik zoek er sokken met roze borduurseltjes bij. Uit de gang pakt zij vast twee zilverkleurige zachte schoentjes met muizensnoetjes op de neus. De droom compleet want deze zijn ook al van haar grote zus geweest. Ik weet van eerdere keren dat ze aan de krappe kant zijn, dus zet ze met hun klittenbandlip zo wijd mogelijk open voor haar neer. Maar evengoed.
‘Hmmmm…’, zeg ik.
‘Je hebt ze verkeerd’, probeert ze als eerste paadje uit het dilemma dat we samen zien aanstormen.
Dat kan, maar is ook na twee keer controleren toch echt niet zo.
‘Ik moet een beetje wiebelen’, oppert ze dan en kronkelt meteen met haar hele lijf.
We kijken samen naar haar voetje, dat nog steeds ruim over de platgeduwde achterkant van haar zachte trippelschoentje hangt.
‘Ik moet stampen!’, besluit ze.

Ik houd haar schoentje in model. Samen roepen we ‘stampenstampenstampen’, ze doet dat ook met twee voetjes tegelijk om die ene met het schoentje alle mogelijke hulp te bieden. Maar helaas.

‘Ik denk echt dat ze te klein zijn geworden’, zeg ik terwijl ik de tere muiltjes naast haar inmiddels best wel stevige voeten zet om mijn vermoeden te bevestigen.
Ze zucht diep.
‘Dát kan niet!’, zegt ze dan op de afgemeten toon van ‘iemand moet hier de verantwoordelijkheid nemen’.
Ze komt voor me staan, pakt de beide schoentjes van de grond en houdt ze met gestrekte armen ter bewijsvoering voor mijn neus.
‘Het zijn schóenen, opa!’