Omrijden

Wanneer ik ’s morgens met kleinzoon Liam (8) op zijn eigen fiets en zijn twee zussen bij mij in de bakfiets naar school rijd, blijken er werkzaamheden op onze route. We mogen er langs, aangespoord door verkeersregelaars in fluorescerend oranje, maar eenmaal in het fietstunneltje onder het spoor staat daar een dichte wolk grijs stof en een hels apparaat dat luid gillend het beton te lijf gaat. De meiden voorin de bak houden hun handen voor hun oren en hun ogen wijd open van schrik. Liam en ik kunnen niets anders doen dan zo snel mogelijk trappen om de schacht vol brullend bouwgeweld te ontsnappen. Bovenaan de tunnelhelling stoppen we even. Ontdaan. Ik kan maar net de aanvechting onderdrukken om met brede armgebaren verhaal te halen bij de wenkende mannen.
‘Vanmiddag nemen we een andere route’, besluiten we in plaats daarvan.

Dat is voor mij sneller beloofd dan uitgevoerd. Stratenplannen lezen en mijn weg erdoorheen vinden, waren altijd al wat minder prominente kwaliteiten en met de jaren lijkt dat alleen maar erger te worden. Kortste verbindingen zijn om die reden geen onderwerp van overweging, ik ga uitsluitend voor eerder beproefde routes en in dit geval herinner ik me vaag toen Liam net naar de kleuters ging een spoorovergang op straatniveau en wat brokkelige beelden van de straten waar we toen doorheen kwamen.
‘Langs het park!’, weet ik opeens heel zeker wanneer we die middag op de stoep van de school met elkaar beraadslagen.
De meiden knikken meteen enthousiast. Liam kijkt me alleen maar vragend aan. Mijn telefoonnavigatie, die me uitgezoomd niks vertelt en ingezoomd uitsluitend een lam gevoel van wanhoop teweegbrengt, berg ik op. We gaan.

Liam fietst in zijn kenmerkende onthechte rijstijl voor me uit. Stuurbediening meer vanuit de pols dan met de hand, zijn voeten als vooruitgestoken pantoffels bij de open haard op de trappers.
‘En nu?’ vraagt hij als hij met piepende achterband bij de eerste kruising zijn fiets vlak voor me stil zet.
‘Rechtsaf!’, besluit ik tegen alle twijfelstemmetjes in mijn hoofd in.

Wanneer ik datzelfde even verderop voor de tweede keer roep, zie ik Liam voor me één schouder optrekken. Heel even maar. Dan volgt hij licht zigzaggend over de fietsstrook zonder verder commentaar mijn aanwijzingen. Tot we op de rotonde arriveren waar we anders vanuit school direct op aankoersen. De rechte lijn van het vierkant waarvan we nu de drie andere zijden hebben bezocht.
‘Euhmmm…’, zeg ik.
‘Dit was dus nergens voor nodig’, concludeert Liam met luchtige stem wanneer ik de caravaan de stoep op heb gedirigeerd voor overleg. Een groot woord, want ik heb eerlijk gezegd geen ideeën meer behalve dan toch maar onze normale route weer oppakken. Dwars door het kabaal.
‘Neeeee!’, gillen de meiden in de bak.
‘Ik weet wel hoe we moeten’, zegt Liam, voorover leunend op zijn onderarmen.

Ontspannen onderuitgezakt en met ogen die blijven haken aan zo’n beetje alles behalve het verkeer, fietst hij daarna voor me.
‘Zie je die blauwe auto?, roept hij over zijn schouder wanneer we de volgende rotonde naderen. ‘Daar gaan we heen.’

Ik knik alleen nog maar, roep ook mijn gebruikelijke vermaningen om op te letten niet meer en ben vooral heel blij dat ik gewoon achter iemand aan kan fietsen die kennelijk weet wat hij aan het doen is. Ondertussen parkeren we bij een verkeerslicht samen soepeltjes in een fietsvak, waarop hij me terloops attendeert met een wijsvinger richting het witte logo op het asfalt.
‘Jongen’, zeg ik als ik met de bakfiets naast hem kom staan. ‘Hoe weet je dit allemaal?’
Hij haalt zijn schouders op.
‘Als ik bij papa in de auto zit…’, licht hij dan toch maar even toe.
‘Die rijdt ook altijd zo en dan zie ik het fietspad.’

Hij kijkt weer voor zich, naar de wirwar van straten die zich aan de andere kant van het kruispunt voor ons uitstrekt.
‘Zonder mij waren we nu nog steeds aan het verdwalen’, mompelt hij.
Met een klein lachje om zijn mond.