Boeven

We staan met de bakfiets bij de ingang van het park met de hertjes en de speeltuin, waar we op opadag als het even kan samen heen gaan.
‘In de bak of zelf lopen?’, vraag ik aan kleindochter Sophie (3), zoals we dat gewend zijn.
‘Zelf lopen’, zegt zij. Ook zoals altijd.

Ze klimt – ‘niet helpen!’ – uit de bak en neemt, ook volgens traditie, het zijpaadje met de bolle klinkers. Met een bocht verdwijnt zij daar tussen de struiken van de vlindertuin om even verder, na een klein stukje helemaal alleen tussen begroeiing van zeker viermaal haar eigen hoogte, mij op het doorgaande pad met de bakfiets aan de hand weer te treffen. Altijd een opgelucht weerzien dat zij met rappe beentjes en een blije lach zo snel mogelijk naderbij brengt.

Dit keer gaat het anders. Ze rént echt en lacht niet.
‘Er zijn daar boeven!’, zegt ze wanneer ze weer bij me is.
Op ons pad staat het werkkarretje van de hoveniers. Tussen de struiken zie ik twee mannen in donkere werkpakken geknield tussen de planten.
‘Ik denk dat het de tuinmannen zijn’, probeer ik Sophie gerust te stellen.
Maar zij weet het zeker.
‘Het zijn boeven. Ik heb ze gezien’, legt ze me uit terwijl ze met twee uitgestrekte armpjes haar gelijk benadrukt. ‘Ze pakken planten en stoppen die in een mand.’

De mannen in kwestie komen inmiddels met hun buit over het paadje aanlopen. Hun werkschoenen schrapen over de klinkers, hun stemmen bassen donkere boodschappen. Voor Sophie het teken om zo snel als ze zichzelf omhoog kan sjorren de bakfiets in te klimmen.
‘Liever in de bak?’, vraag ik. Overbodig.

Even verderop zien we een groepje vrouwen onder leiding van een Aziatisch ogende juf hun armen en benen in trage gebaren door de lucht bewegen. Sophie kijkt ernaar. De dansbewegingen lijken alle nare beelden met sierlijke streken uit haar hoofdje te vegen. Ik zet de bakfiets stil, dwars op het pad. Zodat ze rustig kan kijken.

Dat doet ze. Lang.
‘Genoeg gezien?’, vraag ik na een tijdje.
‘Nee’, zegt ze, ‘nog even…’
Ze kijkt verder naar de vrouwen. Die bewegen vol gratie en glimlachen sereen naar iets ergens in de verte. Naar haar misschien. Ze is er stil van.
‘Nu wel’, besluit ze dan met rustige stem.

We gaan. Achterom kijken zou kunnen maar is niet nodig.