Uitzicht

De verkoper met een plastic tas naast zich op het geperforeerde bankje van de tramhalte. Boks met zijn klant, de flits van geld. Tas tussen hen in. Hij stapt op de tram die met een felle ping vertrekt. De tas laat hij achter. Voor de klant.

De jongen met de dikke lippen. Er bungelt een sigarettenpeuk tussen. Geen vuur, geen rook. Hij inhaleert de gedachte en zoekt vast een volgende tussen de stoeptegels van het perron. Opgetrokken schouders. Focus op vinden.

De meeuw met het rode vlekje op zijn gele snavel. Merkteken van zijn lust tot verslinden. De blik van een veldmaarschalk. Hoog zit hij, op de rand van het gele bord met Lijn 1. Onder hem op de rail dweilt grijs plastic met ruwgetrokken gaten. Oud vuil.

De oudere mevrouw met stramme benen en een boodschappenkarretje op de hielen. Ze stapt kordaat. Haar karretje maakt een huppeltje bij elke tegelrand van het perron. Een lichtblauw corona-mondkapje bungelt onder haar kin. Wachtend op de bedoeling.

De jongen met witte staafjes uit zijn oor. Telefoon op zijn uitgestrekte hand. Hij loopt met snelle gympen over de ribbels voor de blinden. Hij is er maar een beetje. Wat telt, staat op zijn scherm.

Het meisje met een weekendtas volgestouwd met wat. Wasgoed misschien, voor thuis. Of schone kleren, voor de ochtend hierna. Ze buigt voorover en speurt langs de rail. De tram komt, gelokt door haar verlangen.

Ik zit en ik kijk. Mijn plek, zij de gasten. Denk ik. Denken ze allemaal.