Concentratie

De sensei die de aikidoklas van kleinzoon Liam (écht bijna 8) leidt, neemt er de tijd voor. Zijn leerlingen zitten ondertussen met hun benen volgens de regels van de sport onder zich gevouwen, knieën óp maar net zo makkelijk óver de lijn die speciaal daarvoor op de vloer van de dojo is getrokken.
‘Discipline’, legt de leraar uit terwijl hij wat knietjes hun plek terug achter de lijn wijst. ‘Tijdens de les ben je een uur lang samoerai en daar hoort discipline bij.’

Ik zie twee van de jongens in de rij uitproberen hoe ver ze opzij kunnen hangen voor de ander omtuimelt. Liam zit nog redelijk netjes, maar bestudeert wel voornamelijk het plafond in plaats van zijn leraar. Die illustreert zijn instructie eerst met hoe het niet moet. Slingerend teruglopen naar je plek bijvoorbeeld na afronding van een oefening. Of dweilend over de grond tijdens de uitleg, zoals inmiddels drie jochies in hun losse witte pakken in praktijk brengen. Hij doet ook nog even voor, met lange glijdende passen waarbij zijn zwarte broekgewaad glooiend achter hem aan beweegt, hoe een echte samoerai het wél doet. En kijkt de groep strak aan.
‘Geconcentreerd’, zegt hij terwijl hij zijn woorden uitrekt, ‘altijd klaar voor de confrontatie.’

‘Zijn er nog vragen?’
‘Meneermeneer’, drie jongens steken hun vinger in de lucht en tillen die met hun andere arm nog wat verder omhoog voor net dat tikkeltje extra aandacht. Liam is er één van.
‘Wie zijn beter? Ninja’s of samoerai?’, vraagt de eerste die de leraar aanwijst om zijn inbreng te leveren aan de levenslessen achter de oosterse vechtsport.
‘Dat… weet ik niet…’, zegt de sensei terwijl hij een beetje zoekend rondkijkt waar deze wezens opeens vandaan komen. ‘Maar wij zijn samoerai!’, besluit hij dan.
Volgende!
‘Wat is discipline?, vraagt het jongetje naast Liam.

Die besteedt zo te zien nauwelijks aandacht aan de vragen van de lesgenootjes of wat de leraar daar aan antwoorden op weet te bedenken. Maar let blijkbaar wel scherp op of er in de gedachtewisseling even een gaatje valt waar hij de mededeling waar hij vol van is kan inparkeren. Dat lukt direct na de vorige vraag, die de sensei even zonder woorden zet.
‘Meneer! Ik ben volgende week jarig! Precies op woensdag!’

Iedereen opgelucht, lijkt het wel. Maar na afloop van de les wil hij toch nog even weten wat de leraar nou eigenlijk bedoelde met die discipline.
‘Koppie erbij’, vertaal ik het maar, terwijl we onze fietsen van slot halen. ‘Net als bij fietsen. Eén ding tegelijk, dan gaat het beter en wordt het leuker.’
Hij knikt terwijl hij voor me uit de straat oprijdt.
‘Wie is de oudste mens die je kent?’, roept hij – met slingerende fiets – over zijn schouder naar mij.