Knap

Het is bonje in de bakfiets, ’s morgen bij het vertrek naar school. Te krap eigenlijk voor drie toch al flink grote kinderen. En bovendien een ongelijke verdeling in comfort. Achterin heb je een kussen in de rug, voorin een ronde stang. Zodat mijn vasteplekkenbeleid-als-gedoepreventie averechts uitpakt voor wie voorin zit. Kleinzoon Liam (bíjna 8) dus. Terwijl ik uit de huiskamer een kussentje pak als verzachtende oplossing, heeft het gevoel van onrecht blijkbaar een eigen dynamiek gekregen want als ik terugkom bij de bakfiets brult kleindochter Sophie (3) de straat in alarmfase.
‘Liam heeft mijn ketting gesloopt!’, wijst ze tussen de tranenstroom door naar de grond, waar kleine glinstertjes glas, weggerold in de smalle kiertjes tussen bak en bodem, haar aanklacht in kleur onderstrepen.
‘Ik geloof dat we deze dag even overnieuw moeten beginnen’, besluit ik.
Waarop het zowaar rustig wordt.

Een schoolritje later zit ik met Sophie aan de eettafel in de huiskamer. Vóór ons een veld glimmend glazen kraaltjes in geel, rood, paars, wit en groen.
‘Allemaal mijn lievelingskleur’, classificeert Sophie ruimhartig.
Ernaast ligt een op ongeveer een kwart van de lengte afgebroken draad. Het grootste deel is nog intact, het afgebroken stuk is al zijn kraaltjes kwijt. De hele ketting als droeve maar verstandige amputatie inkorten, levert een bergje verweesde kralen op waarvan het idee alleen al nieuwe tranen in Sophie’s ogen klaar zet. Dus zoek ik, het hoofd langzaam op en neer, in mijn multifocale brillenglazen naar het dunne lijntje waardoor draad en kraaltjes enigszins scherp in beeld komen. Soms leidt dit tot een klein rijgsuccesje, maar vaker tot een stuiterend tikgeluid op de grond als het volgende gevallen exemplaar een heenkomen onder de tafel zoekt.

‘Ik ben groot’, besluit Sophie wanneer ze mijn gepriegel even heeft aangezien. ‘Ik ga al naar de echte school.’
Ik ben nog bezig de relatie met mijn rijgwerk te ontdekken, maar zij schuift het bergje kraaltjes naar zich toe, pakt het afgebroken stuk draad uit mijn handen en prikt de eerste paar kraaltjes met rappe vingertjes op hun plek.
‘Ik ben goed bezig’, knikt ze tevreden.

‘Meid, wat knap!’, zeg ik wanneer ze het afgebroken stukje ketting in zijn glorie heeft hersteld en er net genoeg draad over is om het aan de rest te knopen.
Helaas toch met een klein restantje kraaltjes, gekleurd in al die lievelingstinten.

We zoeken samen naar het mooiste bakje dat we vinden kunnen en leggen ze daar voorzichtig in. Om wanneer je maar wilt naar te kijken, stel ik voor. Dan is het goed, besluit Sophie.

Ik herhaal mijn bewondering.