Terug

Ik ben in het medische circuit inmiddels afgeschaald van de alarmfase tumor of infarct naar ‘don’t call us, we’ll call you’ van de allergoloog. Een beroepsnaam ter plekke voor mijn gemoedsrust verzonnen, dacht ik, maar hij lijkt wel degelijk te bestaan. Net als een persoon erachter neem ik aan, maar die blijft voorlopig verborgen achter een getikt advies op Mijn Zorgdomein dat ik een adrenalinepen op zak moet duwen voor als mijn lichaam nog eens in razernij ontsteekt. Plus pillen om dat te helpen voorkomen. Het helpt om het vertrouwen in mijn eigen lijf te herstellen. Een beetje.

Dus ga ik weer naar de kleinkinderen voor mijn opadag. Een tikje wankel nog van de herinnering en de pillen, maar vooral heel blij om ze weer te zien.

‘Ik ging op mijn eigen fiets met papa naar de bakker!’, pakt kleindochter Elin (5) direct onze gezamenlijke draad weer op alsof de korte onderbreking nooit heeft plaatsgevonden.
‘Jeetje meid’, zeg ik. ‘Op de stoep of de straat?’
‘De straat!’, zegt ze en komt dan even heel dicht tegen me aan zitten.

‘Waarom viel je nou eigenlijk?’, vraagt haar grote broer Liam (7) ondertussen.
Ik vertel iets over de druk waarmee het bloed je lichaam rondgaat en dat die plotseling wegviel. Ik zoek nog naar een beeldende vergelijking met een tuinsproeier die zieltogend nadruppelt, maar hij weet genoeg.
‘Ik snap het al’, knikt hij, gerustgesteld door oorzaak en gevolg die hij ziet. ‘Dat zit in je aderen.’
‘Knuffel?’, besluit hij, terwijl we met zijn drietjes naar de gang lopen om de spullen voor school te pakken.

Daar op de trap staat hun kleine zus Sophie (3). Met rustige stappen en stralende ogen komt ze tree voor tree naar beneden. Eerder schrijden dan lopen. Halverwege stopt ze en kijkt naar mij. Dan gaan haar beide armen wijd open.
‘Hier ben ik!’, roept ze.

Ik weet niet of het nodig is, maar vang haar voor de zekerheid toch maar op.