Einde

Ik heb er al een tijdje last van. Nachtelijke erupties van jeukbulten. Ze zijn dik en rood, er zitten blaasjes op, ze jeuken als de hel en ze zitten overal waar je maar kan bedenken. De eerste keer dat ze verschenen, deed ik liever alsof het een nare droom was. De tweede keer maakte ik mijn vrouw wakker en vroeg haar om foto’s van de vurige berglandschappen op mijn lijf te maken. De derde keer kende ik de geruststellende term netelroos, wat toch meer klinkt als de verraste uitroep (‘Kijk daar!’) van een boswandelaar dan als een lokale uitbraak van de builenpest, de richting waarin ik de diagnose zocht. Het afweersysteem zet de bloedsluizen open in een overspannen reactie op een zelf verzonnen gevaar, is het verhaal. Ziet er alarmerend uit, jeukt vreselijk, maar dat is het.

Tot twee nachten geleden.

Ik word wakker van twee dikke gezwollen handen, maar de rest van de bulten lijken dit keer vooral van binnen te zitten. Ze gaan overal in mijn lijf jeukend en schurend tekeer. Aan de bovenkant om de boel dicht te duwen. Door mijn neus wil geen lucht meer, in mijn keel zitten dikke vingers. Aan de onderkant om alles borrelend en krampend naar buiten te smijten. Het laken, denk ik. Als belangrijke bron van zorg. Ik laat me uit het bed rollen en haal nog net de badkamer. Later weet ik me te herinneren dat ik daar voorovergebogen op de wc zat en daarna de kraan aanzette om mijn handen te wassen. Het volgende beeld is het gezicht van mijn vrouw, ergens ver boven me. Ik probeer mijn hoofd op te tillen omdat het aan de achterkant pijn doet. Het mislukt en ik laat het teugvallen op de houten vloer in de gang. Ik heb geen idee hoe ik daar terecht ben gekomen. Verderop in de badkamer hoor ik de kraan lopen.

Even later lig ik in bed. Dat is beter, zachter vooral. Ik denk niet dat ik dood ga. Ik weet het. Geen met engelen omzoomd regenboogpad naar het witte licht. Geen paniek ook. Wel de simpele constatering: dit is het einde. En verdriet. Ik had nog zoveel mensen moeten vertellen dat ik van ze hou. Maar zelfs de poging om dat tegen mijn vrouw te zeggen die vlak naast me ligt, verdwaalt in het voornemen. Wat blijft is de tevreden gedachte dat ik de beloofde financiële hulp voor het huis van mijn zoon nét op tijd heb overgeboekt. En ik moet aan mijn moeder denken, die me op haar sterfbed met klem meedeelde dat ik niet moest vergeten het ganglicht uit te doen.

Maar net als met de bulten aan de buitenkant, zakt de narigheid na enkele uren en de volgende ochtend blijk ik nog gewoon te leven. Bij de huisarts en later in het ziekenhuis word ik beprikt, beluisterd, beklopt, bekeken en bemeten. Mijn persoonlijk patiëntenportal loopt, voor het eerst sinds ik zoiets heb, vol met onderzoeksuitslagen. Voorlopig zonder enige conclusie. We zien wel. Ik denk vooral dat ik nog moet stofzuigen. En boodschappen doen. En mijn fiets naar de fietsenmaker brengen. En die lakens inderdaad. Maar die heeft mijn vrouw inmiddels al geregeld.