Slapen

Ze had het al enkele keren eerder geprobeerd. Maar telkens als kleindochter Elin (5) bij ons logeerde, was het of rond slapentijd de god van het kindergemoed met zijn vingers knipte en besloot dat het zo wel mooi genoeg was.
‘Ik wil naar huis’, zei ze dan. En ging rustig met haar tas op haar rug wachten op de uitvoering van dit even snel genomen als onwrikbare besluit.

Dit keer komt ze dus alleen maar een lange dag en haalt haar papa haar na het avondeten weer op. Maar meteen bij binnenkomst, zie ik aan haar inventariserende blik dat ze de lager bijgestelde verwachting benut voor de grote sprong voorwaarts die ze toch per se een keer wil maken. Ze gaat eens proefliggen op het logeerbed. Loopt speurend de badkamer in en vraagt of we misschien reservetandborstels hebben. Informeert of ik het slaapliedje van Casper en Emma op internet kan opzoeken. Wijst op het tweede bed in de logeerkamer en vraagt of ik daar dan echt de hele nacht in blijf liggen als er kinderen logeren. En hakt dan de knoop door.
‘Ik blijf slapen.’

Ook rond het eerder zo kritiek gebleken tijdstip, slapentijd, blijft ze bij haar besluit en gaat ijverig op zoek naar de entourage om het te kunnen redden. Haar slaapknuffel, een zachtbehaarde pinguïn met een allesvergevende glimlach rond zijn snavel, ligt thuis.
‘Dus…’, zegt ze peinzend.

Terwijl ik klaar zit met haar voorleesboek, loopt zij bedrijvig op en neer tussen de huiskamer en logeerkamer en groeit in haar bed de voorraad vervangingstroosters. De zeven blote barbies die ze in haar rugzakje had meegebracht, keurig op een rijtje naast haar kussen. Een zeemeermin met lange blonde haren en kermislichtjes in haar staart. Uit de speelgoedkist van opa en oma twee piepende hamsterpoppetjes op wieltjes waarvan niemand het uit-knopje begrijpt. En als laatste vondst een langwerpig zacht kussentje uit de stoel in de huiskamer. Ze houdt hem met twee armen tegen zich aangeklemd.
‘Deze is wel zacht genoeg’, zegt ze.
‘Om op te liggen?”, vraag ik.
‘Nee, als knuffel’, legt ze uit. Ze aait het vervangdier over zijn denkbeeldige kop en dan met lange streken langs zijn lijf.
‘Hij heeft alleen geen vleugels…’, zegt ze peinzend. Maar neemt hem dan toch mee in haar holletje onder het dekbed.

Terwijl ze daar ligt, lees ik haar boekje voor over een lieveheersbeestje dat leert dat stippen niet belangrijk zijn en kijken we samen naar het filmpje waarop haar mama de enig juiste versie van het slaapliedje heeft ingezongen. En nog een keer. En nog een keer. En nog één keertje.
‘Het werkt niet’, besluit ze dan.
‘Kun je niet slapen?’
Ze schudt haar hoofd.
‘Dan gaan we gewoon lekker liggen’, stel ik voor.
Dat doen we. Met een lange serie gefluisterde verhaaltjes over toen ze nog een baby’tje was en ook nooit wilde slapen. En over haar moeder die ook nooit wilde slapen. En over haar ooms die ook nooit wilden slapen. En over opa die vroeger ook nooit wilde slapen. Omdat ik er niet op vertrouwde dat ik mezelf aan de andere kant van de slaap weer aan zou treffen, herinner ik me opeens. En over de katten bij haar thuis die altijd wel willen slapen…

Tot ze uiteindelijk, het kussentje stevig in haar armen, in slaap valt. En blijft slapen.

Met alleen ergens midden in de nacht een luide roep.
‘Opa! Waar ga je heen?’
‘Ik ben bij je, meissie.’
Ze lacht. Met haar ogen dicht alweer.
‘Ik dacht dat je daar stond’, mompelt ze, wijst ergens richting deur en slaapt dan weer verder.
Met kleine snurkjes en een zucht af en toe.

Tot de volgende ochtend, keurig om zeven uur.
‘Gefeliciteerd’, zeg ik als ze haar ogen opendoet.
‘Ik heb eigenlijk niet geslapen’, zegt ze meteen.

Maar ze lacht evengoed. Trots.